![]() |
GROEP HOP © Ermelo Rheden Zoetermeer Actueel Programma Contact Kandidaten van Groep Hop moesten hun verkiezingsposters en het plakken op alle borden in heel Gelderland zelf betalen! Hoe zou u het vinden als uw verkiezingsposters overal in Gelderland zouden worden verwijderd of overplakt?
|
CDA plakt tijdens provinciale verkiezingen 2007 over de verkiezingsposters van Groep Hop
Artikel
Ermelo’s Weekblad woensdag 21 februari 2007

Groep Hop wil het agrarisch landschap in behouden
(JH23) Platteland en natuur. Groep Hop wil het agrarisch landschap in behouden. Het agrarisch landschap in Gelderland moet niet minder worden door de bouw van nieuwe industrieterreinen en/of sportvelden in agrarische gebieden. Boeren zijn sowieso zeer belangrijk als producent van ons voedsel in Nederland zelf zodat we onze voeding niet hoeven in te voeren met alle daarbij bijkomende transportkosten. Er dient beter naar het gebruik van beschikbare ruimte gekeken te worden alvorens ergens woningen in natuurgebied te bouwen. Natuurgebied op de Veluwe mag niet minder worden.
Groep Hop wil het agrarisch landschap behouden! Klimaatoplossingen Groep Hop. Landbouwgewassen halen vaak meer CO2 uit de lucht dan bos. Publicatie van een lijst (24) waarop per gewas staat aangegeven hoeveel CO2 het uit de lucht neemt
Barneveld en Putten, contactpersoon voor dit programmaonderdeel Jan Hop. Groep Hop wil het agrarisch landschap behouden Geen nieuwe rondwegen aanleggen op de Veluwe gebied Ermelo-Putten-Nijkerk-Hoevelaken-Voorthuizen-Kootwijkerbroek-Garderen om leefbaarheidsproblemen voor mens en dier niet te verplaatsen. (Gebied rondom de A28, A1 en N303) Toelichting en visie debat rondweg Voorthuizen, gemeente Barneveld
Milieu, Leefomgeving. Door afschaffing van de provincies en verbetering openbaarheid van bestuur door meer gratis publicaties op internet worden de papierafvalstromen flink verminderd. Het aantal verkeersbewegingen van burgers van en naar gemeentehuizen flink verminderd en dat is weer goed voor het milieu en uw leefomgeving.
Keurig netjes een bedankbriefje van de gemeente Barneveld inzake deelname J. Hop aan verkiezingsdebat
Gemeente
Raadhuisplein 2
Postbus 63
3770 AB
BARNEVELD
De
heer J. Hop
Joubertstraat
24
3851
DM ERMELO
Datum:
1 maart 2007
Ons kenmerk:
BMO/BR
Afdeling:
BMO
Behandeld door: L.W.H.
Rebel
Doorkiesnummer:
(0342) 495 284
Onderwerp:
Verkiezingsbijeenkomst 27-02-2007
Geachte heer Hop,
Op 27 februari
jongstleden heeft de gemeente Barneveld een verkiezingsbijeenkomst
georganiseerd in het kader van de aanstaande verkiezingen voor de nieuwe
Provinciale Staten van Gelderland. Het thema van deze avond was de
gewenste realisering van de oosterlijke rondweg om Voorthuizen en de
noodzakelijke ontsluiting van het bedrijventerrein Harselaar in Barneveld.
Wij willen u hartelijk
bedanken voor uw komst naar Voorthuizen en uw deelname én bijdrage aan
het verkiezingsdebat op deze drukbezochte avond. De aanwezigen hebben zich
een beeld kunnen vormen van de grote belangen die spelen voor onze
gemeente en hoe de provinciale politiek denkt over de bovengenoemde
onderwerpen.
Wij wensen u veel
succes in de komende dagen en uiteraard een goede uitslag op 7 maart!
Met vriendelijke
groet,
G.W. Tijmensen
Wethouder Verkeer
Inleiding door J. Hop.
Een duidelijk voorbeeld van CDA kiezersbedrog en achterkamertjespolitiek is de gang van zaken rond de aanleg rondwegen rondom Barneveld en Voorthuizen. De logische oplossing die Groep Hop voorstelt voor de ontsluiting van Barneveldse industrieterrein door de A30 slechts met een heel klein stukje snelweg door te trekken tot aan de Rijksweg die Terschuur en Voorthuizen met elkaar verbindt. Daar kan een rotonde komen en het verkeer kan verder deze Rijksweg volgen, blijkt stelselmatig niet uitgevoerd te worden om kiezers tevreden te houden die graag zien dat er een oostelijke rondweg komt. Dit blijkt uit een gesprek dat J. Hop met een bewoner van Voorthuizen heeft gevoerd na het debat op 27 februari 2007. Deze bewoner schetste voor Hop met een paar strepen op een papiertje het probleem in Voorthuizen en de oplossing van het probleem. De logische oplossing van Groep Hop sluit naadloos aan op de visie en oplossing van deze burger uit Voorthuizen.De oostelijke rondweg rondom Barneveld is CDA kiezersbedrog en zal er ook niet komen!
Burgers uit Barneveld (De Glind, Garderen, Kootwijk, Kootwijkerbroek, Stroe, Terschuur, Voorthuizen, Zwartebroek) kunnen dus veel beter dit keer (provinciale verkiezingen Gelderland 2007) Groep Hop gaan stemmen om zo snel mogelijk de A30 slechts met een heel klein stukje snelweg door te trekken tot aan de Rijksweg die Terschuur en Voorthuizen met elkaar verbindt.
Geen rondwegen aanleggen op de Veluwe om de "leefbaarheidsproblemen" voor mens en dier niet te verplaatsen
27 februari 2007 Debat 19:30 uur Edda Huzit. Debat over rondweg Voorthuizen, gemeente Barneveld (Bevestiging 200207 12:25 uur) Gemeente Barneveld organiseert een provinciale verkiezingsbijeenkomst met als thema de aanleg van de oostelijke rondweg en de ontsluiting van het bedrijventerrein Harselaar
Een citaat uit het programma van Groep Hop:
Platteland en natuur. Groep Hop wil het agrarisch landschap in behouden. Het agrarisch landschap in Gelderland moet niet minder worden door de bouw van nieuwe industrieterreinen en/of sportvelden in agrarische gebieden. Boeren zijn sowieso zeer belangrijk als producent van ons voedsel in Nederland zelf zodat we onze voeding niet hoeven in te voeren met alle daarbij bijkomende transportkosten. Er dient beter naar het gebruik van beschikbare ruimte gekeken te worden alvorens ergens woningen in natuurgebied te bouwen. Natuurgebied op de Veluwe mag niet minder worden.
Barneveld en Putten, contactpersoon voor dit programmaonderdeel Jan Hop. Groep Hop wil het agrarisch landschap behouden Geen nieuwe rondwegen aanleggen op de Veluwe gebied Ermelo-Putten-Nijkerk-Hoevelaken-Voorthuizen-Kootwijkerbroek-Garderen om leefbaarheidsproblemen voor mens en dier niet te verplaatsen. (Gebied rondom de A28, A1 en N303) Toelichting en visie debat rondweg Voorthuizen, gemeente Barneveld
Visie Groep Hop met toelichting en onderbouwing om "Geen nieuwe rondwegen aanleggen" op de Veluwe
Groep
Hop
Lijsttrekker Jan Hop
Dinsdag
27 februari 2007 gemeente Barneveld organiseert een provinciale
verkiezingsbijeenkomst met als thema de aanleg van de oostelijke rondweg
en de ontsluiting van het bedrijventerrein Harselaar. Debat 19:30 uur Edda
Huzit. Debat over rondweg
Voorthuizen, gemeente Barneveld
(Bevestiging 200207 12:25 uur)
Visie Groep Hop op “leefbaarheidsproblemen” voor mens en dier.
Groep Hop nodigt u uit na te denken over menselijke conditionering in marketing en de waarde die eraan gehecht wordt als een illussie.
Als voorbereiding op dit debat heb ik een kaart van het gebied geprint en het viel gelijk op dat dit gebied ingesloten zit in de autosnelwegen A28 en A1. Ik vraag me dan ook ook wanneer er een einde komt aan het volbouwen van het kleine gebied de Veluwe met nieuwe onnodige wegen door het agrarisch landschap op de Veluwe. Worden de leefbaarheidsproblemen niet steeds opnieuw verplaatst en/of steeds groter op de Veluwe met de aanleg van nieuwe rondwegen?
Barneveld
en Putten,
contactpersoon voor dit programmaonderdeel
Jan Hop. Groep Hop wil
het agrarisch landschap behouden Geen nieuwe rondwegen aanleggen op de
Veluwe gebied
Ermelo-Putten-Nijkerk-Hoevelaken-Voorthuizen-Kootwijkerbroek-Garderen om
leefbaarheidsproblemen voor mens en dier niet te verplaatsen. (Gebied
rondom de A28, A1 en N303) Toelichting
en visie debat rondweg Voorthuizen, gemeente Barneveld
Een oplossing. Groep Hop komt op voor de burgers die in het bovengenoemde gebied wonen, werken en recreëren. Als logische oplossing voor de ontsluiting van Barneveldse industrieterrein stellen wij voor de A30 slechts met een heel klein stukje snelweg door te trekken tot aan de Rijksweg die Terschuur en Voorthuizen met elkaar verbindt. Daar kan een rotonde komen en het verkeer kan verder deze Rijksweg volgen.
Gegevens
uit het verleden. Samenvatting
en beantwoording inspraakreacties Startnotitie N303 Omleiding
Voorthuizen / ontsluiting Harselaar Zuid
Inspraakreactie 10. J. Hartman, Brugveensweg 1 te Voorthuizen
Inspraakreactie. De inspreker vraagt zich af of de aanleg van een omleiding rond Voorthuizen wel noodzakelijk is gezien de grote investering die hiermee gepaard gaat. Het verkeer door Voorthuizen is voornamelijk bestemmingsverkeer en geen doorgaand verkeer.
Antwoord van de provincie. Vooronderzoek heeft aangetoond dat er wel degelijk sprake is van veel doorgaand verkeer door de kern en dat dit leidt tot leefbaarheidsproblemen. De provincie heeft zich tot doel gesteld deze problemen op te lossen. De kosten die hiermee gepaard gaan zullen uiteraard in de afweging worden meegenomen.
Gegevens uit het verleden. Omleiding
voorthuizen en ontsluiting harselaar zuid startnotitie
m.e.r. opdrachtgever : provincie Gelderland nummer : 354.10523.02 datum :
4 augustus 2004
Binnen het plangebied worden
leefbaarheidsproblemen gesignaleerd als gevolg van sluipverkeer tussen
Nijkerk en Voorthuizen en doorgaand verkeer door Voorthuizen. Een
omleiding van de N303 bij Putten en Voorthuizen wordt gezien als oplossing
hiervoor. Een eventuele doortrekking van N303 bij Putten naar de A28 moet
nader worden onderzocht.
Visie
Groep Hop op “leefbaarheidsproblemen”
Ik nodig u uit na te denken. Wat is de definitie van “leefbaarheidsproblemen in de meest uitgebreide zin”?
Startnotitie MER. Er worden leefbaarheidsproblemen gesignaleerd als gevolg van sluipverkeer tussen Nijkerk en Voorthuizen en doorgaand verkeer door Voorthuizen. Wat is het verschil tussen sluipverkeer tussen Nijkerk en Voorthuizen en doorgaand verkeer door Voorthuizen? Worden met rondwegen “leefbaarheidsproblemen” verplaatst en gebieden waar het nu nog schoon en leefbaar is vuil(er) gemaakt? Groep Hop is van mening dat “leefbaarheidsproblemen” in Gelderland opgelost moeten worden door agrarische gebieden te behouden en vooral te beschermen tegen nieuwe industrieterreinen met steeds meer (rond)wegen.
Er dient WEL geïnvesteerd te worden in:
- Biologisch boeren en het agrarisch landschap behouden om een frisse wind door de provincie Gelderland te laten waaien.
- Een station in Stroe
- Aanleg
en onderhoud (veilige) fietspaden zodat scholieren uit de regio veilig
naar hun school kunnen fietsen en het fietstoerisme verder te bevorderen.
Bij opstapplaatsen openbaar vervoer dienen adequate voorzieningen te zijn
voor het veilig stallen van fietsen. Al het geld door de provincie
Gelderland gereserveerd voor de rondweg Putten kan hier gelijk aan
uitgegeven worden.
Innovatief fietsproject. Groep Hop is VOOR een innovatief fietsproject waarbij fietsers hun fiets met de bus kunnen meenemen waarbij op internet van tevoren gekeken kan worden waar de opstapplaatsen zijn.
Een oplossing. Groep Hop komt op voor de burgers die in het bovengenoemde gebied wonen, werken en recreëren. Als logische oplossing voor de ontsluiting van Barneveldse industrieterrein stellen wij voor de A30 slechts met een heel klein stukje snelweg door te trekken tot aan de Rijksweg die Terschuur en Voorthuizen met elkaar verbindt. Daar kan een rotonde komen en het verkeer kan verder deze Rijksweg volgen.
Op 27 februari 2007 omstreeks 1400 uur kopieerde ik van de website van de gemeente Barneveld de onderstaande informatie over de rondweg in Voorthuizen als voorbereiding op het debat.
Rondweg Voorthuizen |
|
|
De provinciale weg N303 loopt dwars
door Voorthuizen. Het is een drukke weg die voor verschillende
problemen zorgt: opstoppingen, onveilige situaties en veel hinder.
Door de toename van het verkeer zullen deze problemen in de toekomst
alleen nog maar erger worden. Provincie en gemeente
bundelen krachten In het MER worden de milieugevolgen
van een mogelijke omleiding in kaart gebracht zodat die meegenomen
kunnen worden bij de verdere besluitvorming over de rondweg. Startnotitie MER
Trechteren van
alternatieven
De resultaten zijn in een zogenoemde Trechternotitie beschreven. Drie kansrijke
alternatieven
Deze tracés zijn op de kaart weergegeven. Dit zijn globale tracés: op perceelniveau is nog niet aan te geven waar de weg exact zal gaan lopen. Vervolg Meer informatie http://www.gelderland.nl/smartsite.shtml?id=12809&menu=12808 De trechternotitie kunt u ook inzien bij de gemeentelijke balie Bouwen, Wonen en Leefomgeving, Raadshuisplein 3 in Barneveld. Deze informatie is ook opgenomen in een nieuwsbrief die de gemeente onlangs heeft uitgebracht waarin de ontwikkelingen op en rondom Harselaar zijn beschreven. |
Als voorbereiding op het bovengenoemde debat kopieerde J. Hop (Groep Hop) op 24 februari 2007 de onderstaande tekst van de website van de gemeente Barneveld:
Verkiezingsbijeenkomst over oostelijke rondweg |
|
De gemeente Barneveld organiseert op dinsdag 27 februari 2007 een provinciale verkiezingsbijeenkomst. Het thema van deze bijeenkomst is de aanleg van de oostelijke rondweg en de ontsluiting van het bedrijventerrein Harselaar. De verkiezingsbijeenkomst wordt gehouden in partycentrum Edda Huzid aan de Hunnenweg 16 in Voorthuizen en begint om 20.00 uur. Belangstellenden zijn van harte welkom. De provincie Gelderland is al geruime tijd bezig met plannen voor een oostelijke rondweg om de kern Voorthuizen. Dat is nodig om de verkeersdruk dóór het centrum van Voorthuizen te ontlasten, zowel voor wat betreft het oost-west- als het noord-zuid-verkeer. In de komende periode neemt het aantal verkeersbewegingen, mede vanwege de uitbreiding van de kern Voorthuizen, toe. Daarnaast is de oostelijke rondweg van groot belang voor de toekomstige ontsluiting en een betere doorstroming van het verkeer rond Barneveld en met name het bedrijventerrein Harselaar. De provincie heeft in de afgelopen periode drie varianten opgesteld, waarvan de meest oostelijke variant het meest oplossingsgericht is en op veel draagvlak kan rekenen. De provincie moet uiteindelijk beslissen of de oostelijke rondweg wordt gerealiseerd. Met het oog op de aanstaande verkiezingen voor de nieuwe Provinciale Staten van Gelderland is het goed om van de provinciale politieke partijen te horen hoe zíj over de oostelijke rondweg denken. Verschillende politieke partijen hebben inmiddels aangegeven aan het debat deel te nemen. Gedeputeerde Van
Haaren De verkiezingsbijeenkomst is openbaar toegankelijk en wordt gehouden in Edda Huzid aan de Hunnenweg16 in Voorthuizen. Barneveld, 15 februari 2007 Nummer 07-018 |
|
| Mutatiedatum | 19/02/2007 |
Als voorbereiding op het bovengenoemde debat kopieerde J. Hop (Groep Hop) op 24 februari 2007 de onderstaande tekst van de website van de provincie Gelderland:
Werkbezoek CdK aan Barneveld: “Pleidooi voor rondweg Voorthuizen”
Het laatste werkbezoek van dit
jaar werd door de Commissaris van de Koningin afgelegd aan Barneveld. Op
14 december bezocht hij de gemeente en het programma begon dit keer met
een interactieve bijeenkomst over de rondweg Voorthuizen. Hierna volgden
een ontmoeting met de raad en een overleg met het college.
Tijdens een druk bezochte
bijeenkomst in wegrestaurant ‘de Goudreinet’ in Terschuur werd
gesproken met ondernemers, bewoners(organisaties) en LTO over de lang
gekoesterde wens om een rondweg rond het dorp Voorthuizen te realiseren.
Als eerste hield de wethouder een betoog waarom deze rondweg zo belangrijk
is voor de inwoners van Voorthuizen en de toekomstige ontwikkeling van
Barneveld. Alleen de oostelijke variant kan volgens de gemeente de
problemen oplossen en op termijn aan de ambities en groeimogelijkheden van
Barneveld voldoen. De wethouder gaf aan dat er dan nog wel andere
problemen zijn op te lossen, in het bijzonder de financiën en de
aantakking op het Rijkswegennet (de gemeente heeft zelf €15 miljoen voor
de rondweg uitgetrokken). Als er een extra aansluiting in Barneveld komt,
moet er namelijk één in Nijkerk verdwijnen in de ogen van
Rijkswaterstaat.
Draagvlak oostelijke variant rondweg
De deelnemers aan de bijeenkomst waren blij dat de Commissaris in deze
cruciale fase naar hen kwam luisteren en oog heeft voor de problemen waar
zij mee te maken hebben. Er werden door de aanwezigen verschillende
argumenten genoemd waarom er een oostelijke variant moet komen. De
ondernemers gaven aan dat de uitbreiding van bedrijventerreinen slechts
mogelijk is als er een oostelijke rondweg ligt met een aantakking op de
A1. Volgens het Plaatselijk Belang Voorthuizen (met ongeveer 2000 leden)
wordt met deze variant de leefbaarheid in het dorp het meest verhoogd.
Omwonenden van de Stationsweg gaven aan dat alleen zo de Stationsweg kan
worden ontlast. De recreatiesector kan zich ook goed vinden in de rondweg
oost, omdat de meeste recreatieterreinen hier oostelijk van liggen.
Op- en afrit
De Commissaris vroeg of er ook mensen met bedenkingen waren tegen de
oost-variant. Eigenlijk was iedereen het er over eens dat deze variant de
beste is. LTO Noord voegde hieraan toe dat op deze wijze de agrarische
percelen het minst worden doorsneden. Wat betreft de afwikkeling van het
landbouwverkeer wordt gedacht aan het aanleggen van parallelwegen. Toen de
Commissaris opmerkte dat er dan in ieder geval één op- en afrit moet
verdwijnen, gaven de ondernemers aan het niet eens te zijn met het beleid
van Rijkswaterstaat. Zij vroegen de Commissaris zich in Den Haag in te
spannen om een extra aantakking mogelijk te maken. Uiteindelijk gaat het
om de meest toekomstbestendige oplossing, zo liet men weten. De
Commissaris vond wel dat alle argumenten dan op tafel moeten liggen en ook
de vraag beantwoord moet worden waarom de bestaande op- en afrit niet
voldoende is. Ook vroeg hij wat de aanwezigen voor een duurdere variant
over hebben. Men vond dat dit in principe uit de belastingopbrengsten
betaald zou moeten worden.
Wat betreft het milieu zagen de deelnemers geen onoverkomelijke problemen.
Dassenburchten zijn er bijvoorbeeld niet gevonden; wel in de westelijke
variant. Ook de aanleg van een tunnel werd niet als een probleem ervaren.
Dit staat los van de keuze van het tracé en moet volgens de wethouder dan
ook worden gezien als een apart project.
Kritiek
Toch werden er die middag ook kritische geluiden gehoord. Een deelnemer
klaagde over het feit dat er al meer dan 30 jaar over de rondweg wordt
gepraat en snapte niet dat de overheid zo traag was met het nemen van een
besluit. Dit schaadt volgens hem het vertrouwen van mensen in de overheid.
De Commissaris legde uit dat infrastructuur lange tijd op Rijksniveau geen
prioriteit heeft gehad. Wel in Provinciale Staten, zodat er in de
afgelopen periode voortvarend is gewerkt aan de mobiliteit binnen de
provincie en de verbetering van de leefbaarheid d.m.v. rondwegen. Omdat er
in de provincie veel knelpunten zijn, kan niet alles tegelijk worden
opgelost. Ook gaf hij aan dat procedures soms (onnodig) lang zijn doordat
er optimale rechtsbescherming wordt geboden aan de burgers. Hij sprak de
hoop uit dat ook in het nieuwe Statenakkoord veel geld wordt gereserveerd
voor verbetering van de infrastructuur. Een Statenlid merkte op dat ook
andere belangen moeten worden meegewogen binnen het totaal. De aanwezigen
hoopten echter op een definitief besluit voor 7 maart zodat de
besluitvorming binnen deze periode kan worden afgerond. De burgemeester
nodigde tot slot de Staten uit voor een uitvoerige discussie over de
varianten nog voor er verkiezingen zijn.
Ontmoeting met de raad
Bij de raadsontmoeting werd allereerst gesproken over de robuuste
natuurverbinding Veluwe/Utrecht. De commissaris gaf aan blij te zijn met
de steun van Barneveld bij de totstandkoming van de plannen. Hij vroeg om
medewerking van het gemeentebestuur (ambassadeursrol) om de verbinding ook
daadwerkelijk te realiseren. Niet alle fracties waren even enthousiast
over de verbindingszone. Zo was Lijst 8 tegen het principe om het beleid
uit te voeren op basis van het reconstructieplan, dat volgens hen
onterecht was afgedwongen. Bovendien hebben de boeren het al zwaar genoeg,
zo luidde de reactie.
Ook andere fracties, waaronder het CDA, spraken hun zorgen uit over de
positie van de agrariërs. Het principe van vrijwilligheid werd erg
belangrijk gevonden en ook het feit dat agrariërs in de gekozen opzet het
beheer krijgen en nog kunnen blijven boeren. De VVD voelt echter meer voor
marktwerking en ziet de plannen als gesubsidieerde natuur. De ChristenUnie
steunde het plan wel, maar wilde los van de grootschalige natuurgebieden
ook aandacht voor natuur dichtbij huis. Hier sloten andere fracties zich
bij aan, want men wil het groene karakter van Barneveld graag behouden. De
SGP vroeg zich af hoe ‘vrijwillig’ vrijwillig is en vond dat
onzekerheid voor de boeren zoveel mogelijk moet worden tegengegaan.
Verbindingszone
De Commissaris liet weten dat de reconstructieplannen democratisch tot
stand zijn gekomen en een gevolg zijn van de dierziektes die veel agrariërs
de afgelopen jaren hebben getroffen. Hij gaf aan dat het belangrijk is om
er nu gezamenlijk voor te gaan en dat geld hierbij niet het grootste
probleem vormt. Nu er vele ILG-gelden beschikbaar komen is het een goed
moment om de verbindingszone te realiseren. Ondanks het feit dat er niet
onteigend wordt, is het wel van belang de vaart erin te houden, aldus de
Commissaris. De Commissaris toonde zich ook voorstander van landgoederen.
Hij vroeg zich af of de gemeente hier ruimte voor biedt in het bewuste
gebied. Dit bleek het geval te zijn en het gaat hierbij om 2 plannen.
Infrastructuur
Hierna werd er ingegaan op de toekomst van Barneveld en de benodigde
infrastructuur. Voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente wordt de
(oostelijke) rondweg om Voorthuizen raadsbreed als een belangrijke
voorwaarde gezien. Er zijn echter ook andere zaken die van belang zijn, zo
liet de raad weten. Bijvoorbeeld het aantrekkelijk maken van het
transferium, meer openbaar vervoer en veilige spoorwegovergangen. Ook
vroeg men aandacht voor de woningbouw, omdat de woningmarkt in Barneveld
door de oprukkende randstad erg onder druk staat. De Commissaris zegde toe
om zijn contacten in Den Haag te benutten om te bezien of er meerdere op-
en afritten op de snelweg mogelijk zijn. Wel vond hij dat het MER-rapport
moet worden meegenomen in de verdere planvorming. Ten aanzien van het
openbaar vervoer wil hij graag meewerken aan een onderzoek naar de
mogelijkheden voor verbeteringen. Hiervoor dient de gemeente wel een
concreet verzoek in te dienen bij Gedeputeerde Van Haaren, ook voor wat
betreft een snellere realisatie van een intercitystation.
Ontmoeting met het college
Het gesprek met het college vond plaats tijdens een diner in restaurant
Het Schaap.
Tijdens het diner stonden drie onderwerpen centraal. Allereerst werd
gesproken over het rapport van de VROM-Inspectie waarin geconcludeerd
wordt dat de wetgeving op het gebied van milieu en de ruimtelijke ordening
(zgn. VROM-taken) onvoldoende wordt uitgevoerd. Voor het goed kunnen
vervullen van deze kerntaak heeft de gemeente extra capaciteit nodig. De
Commissaris gaf aan dat hij graag op de hoogte wordt gehouden van het
verbetertraject.
Met de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening krijgen provincie en gemeente
een andere rol. De gemeente wil samen met de provincie een pilotproject
starten om te kijken hoe het nieuwe instrumentarium kan worden gebruikt om
de wederzijdse taken en verantwoordelijkheden op het gebied van de
ruimtelijke ordening optimaal te benutten. Zij zal zich hiertoe wenden tot
de Gedeputeerde, dhr. Peters.
Vervolgens kwam de samenwerking tussen de provincie en de gemeente op het
gebied van de ruimtelijke ordening aan de orde. Volgens de gemeente is er
sprake van een goede samenwerking, maar ze wijst wel op de langdurige
planfase van het bestemmingsplan. Door het tempo te verhogen kunnen
sneller goedkope woningen worden gebouwd.
Knooppuntstatus
Ten slotte werd gesproken over de toekomstige ontwikkeling van de gemeente
Barneveld en regionale samenwerking. Barneveld is aangewezen als regionaal
knooppunt. In de aanloop naar het Streekplan is er een taakstelling voor
bedrijventerreinen maar niet voor woningbouw. Dit leidt volgens de
gemeente tot scheefgroei. De gemeente gaf aan dat zij ook een
knooppuntstatus wil voor wonen, werken en mobiliteit.
De Commissaris merkte op dat Barneveld aan veel regionale
samenwerkingsverbanden deelneemt. De gemeente gaf aan dat nadrukkelijker
de samenwerking zal worden gezocht met de WERV-gemeenten (Wageningen-Ede-Rhenen-Veenendaal).
A an het einde van de avond werd nog stilgestaan bij een eventuele
doortrekking van de A30 naar Amsterdam. De Commissaris zei dat daar geen
zicht op is omdat er in de huidige Staten geen meerderheid voor is.
De burgemeester dankte hierna de commissaris voor zijn nuttige en
plezierige bezoek.
Als voorbereiding op het bovengenoemde debat kopieerde J. Hop (Groep Hop) op 24 februari 2007 inspraaknotities
Gemeente/provincie gelderland, omleiding N303 voorthuizen / ontsluiting Harselaar zuid, reactienota, opdrachtgever, provincie Gelderland, Plannummer 354.10523.03, 1 februari 2005
Impressie van de informatieavond
Samenvatting en beantwoording inspraakreacties Startnotitie N303, Omleiding Voorthuizen / ontsluiting Harselaar Zuid
De startnotitie m.e.r. "Omleiding
N303 Voorthuizen en ontsluiting Harselaar Zuid" van de provincie
Gelderland, heeft ter inzage gelegen van 18 oktober
tot en met 12 november 2004. In deze periode zijn 42 inspraakreacties
ingediend. Op woensdag 27 oktober 2004 is voor de bewoners van de gemeente
Barneveld een informatieavond georganiseerd. Op deze avond is door de
provincie de startnotitie toegelicht en hebben de aanwezigen de
gelegenheid gekregen vragen te stellen over het project. In hoofdstuk 2 is
een impressie van deze informatieavond opgenomen.
Inspraakreacties konden
uitsluitend schriftelijk worden ingediend. De samenvatting en beantwoording
van de 42 inspraakreacties is opgenomen in hoofdstuk 3. Per
inspraakreactie is een conclusie getrokken over het al dan niet
(gedeeltelijk) tegemoetkomen aan de reactie.
Door de volgende reclamanten
zijn zienswijzen ingediend:
1. College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Barneveld
2. Johannes Wilhelmus Mijnarends, te Voorthuizen
3. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Kerkstraat 1 te Amersfoort
4. P. Agterberg, Tromplaan 35 te Voorthuizen
5. M.J. de Jager, Frans Halsstraat 65 te Voorthuizen
6. Barneveldse Industriële Kring, p/a Piersonlaan 2 te Barneveld
7. E. Bouwman, Zeumerseweg 41 te Voorthuizen
8. T. Versloot, Rijksweg 78 te Voorthuizen
9. E.G. van Ommen, Harremaatweg 26 te Voorthuizen
10. J. Hartman, Brugveensweg 1 te Voorthuizen
11. M. Snijder, Rembrandtstraat 83 te Voorthuizen
12. M. Top, Verbindingsweg 32 te Voorthuizen
13. Plaatselijk Belang Voorthuizen, M.A. Schuit, p/a Noordersingel 126 te Voorthuizen
14. J. Zeeman, Plaggenmeierslaan 12 te Voorthuizen
15. Buurtvereniging Garderbroek e.o., p/a Garderbroekweg 15 te Voorthuizen
16. E.J. van ’t Ooster, Bijschoterweg 9 te Voorthuizen
17. Gelderse Milieufederatie, Jansbuitensingel 14 te Arnhem
18. Bewonersvereniging De Steenkamp, p/a De Steenkamp 132 te Voorthuizen
19. J.H. Wildeboer, Rijksweg 66 te Voorthuizen
20. G. van der Neud, Rijksweg 76 te Voorthuizen
21. Bewoners Peppelseweg, p/a Hoornweg 10 te Barneveld
22. D. van Aalten (gemeente Wageningen)
23. Ondernemers Vereniging Voorthuizen, Sportparkstraat 2 te Voorthuizen
24. J. de Wit, Sportparkstraat 11 te Voorthuizen
25. J.M.J. van Haarlem & J.M.G Kwaspen, Overhorsterweg 38 te Voorthuizen
26. Fam. Fortman & Kleyer, Verbindingsweg 30/26 te Voorthuizen
27. GLTO Belangenbehartiging, Postbus 126 te Deventer
28. H. Bergers, Wolkammerslaan 18 te Voorthuizen
29. Gresnigt & van Kippersluis, namens Bosch Beton Industrie aan de Wesselseweg te Barneveld
30. VNO NCW Valleiregio en Barneveldse Industriële Kring
31. Transport en Logistiek Nederland, Postbus 655 te Apeldoorn
32. Bos-Schut, Plaggenweg 11 te Kootwijkerbroek
33. Kamer van Koophandel Veluwe en Twente, Deventerweg 1 te Harderwijk
34. P. Steenkamer, Molenweg 117 te Voorthuizen
35. A.C. Visser, Noordersingel 86 te Voorthuizen
36. G.J. van ’t Ooster, Baron van Nagellstraat 108 te Voorthuizen
37. G.J. van Elten, Tromplaan 1 te Voorthuizen
38. Van Westreenen Adviseurs voor Buitengebied, namens Veehouderij Van Drie aan de Rijksweg 51 te Voorthuizen
39. P.J. Achterstraat , Rijksweg 64 te Voorthuizen
40. W. van den Brink, Thorbeckelaan 54 te Barneveld
41. A. van der Gugten, Rijksweg 68 te Voorthuizen
42.
RGV Holding BV, Van der Houven van
Oordtlaan 6 te Apeldoorn Impressie van de informatieavond
In dit hoofdstuk wordt een korte impressie weergegeven van de
informatieavond over de Startnotitie-m.e.r. voor de omleiding van de
provinciale weg N303 in Voorthuizen. De informatieavond vond op 27 oktober
2004 plaats in Café/Restaurant Buitenlust in Voorthuizen.
Veel gepuzzel op drukke informatieavond in Voorthuizen op 27 oktober
2004
"Apeldoornseweg, Voorthuizerstraat, Rubensstraat, Rijksweg,
Rembrandtstraat, Hoofdstraat, Zelderseweg, Stationsstraat, A1, A30, A28,
oostelijke variant, westelijke variant". Het was een heel gepuzzel in
Voorthuizen en het ging er heftig aan toe. De informatieavond was het
hoogtepunt in de inspraak over startnotitie m.e.r. Omleiding Voorthuizen.
Over en weer gingen de argumenten en de emotionele oproepen voor of tegen. Het grote aantal varianten waarover werd gesproken maakte duidelijk dat de discussie hier al lang loopt over de vraag hoe het verkeer uit Voorthuizen geweerd kan worden. De één vroeg om een autosnelweg, de ander stelde voor om het in Voorthuizen zelf 'wat hoekiger en minder aantrekkelijk te maken".
Aanwijslampje Je moest goed opletten om het te kunnen blijven volgen. Er was zelfs een bezoeker die zijn eigen aanwijslampje had meegenomen om nóg meer varianten, waaronder zijn voorkeursvariant, toe te kunnen lichten op een kaart. Het bracht één van de andere aanwezigen tot de verzuchting "Iedereen is verbaasd is dat we er al 30 jaar over praten, maar mij verbaast het niet meer, nu ik dit allemaal hoor".
Nu doorpakken Marijke van Haaren, gedeputeerde voor Openbaar Vervoer en Infrastructuur, en Wim Burgering, burgemeester van Barneveld, waar Voorthuizen onder valt, hadden er een behoorlijke dobber aan, maar het ging hen goed af. "U kunt mij niet aanspreken op het verleden, maar wel op de toekomst. Laten we nu doorpakken om snel de leefbaarheid van Voorthuizen te verbeteren", zei Marijke van Haaren. "Ik ben blij met de bestuurlijke overeenstemming en hoor graag uw reactie op onze startnotitie." Ook Wim Burgering riep de aanwezigen op tot 'kritisch meedenken' om de problemen aan te pakken.
Startnotitie De omleiding Voorthuizen is vinden op de website van de provincie ,
onder 'verplaatsen' en vervolgens 'wegenbouwprojecten'. U vindt er meer
informatie het project.
De omleiding Voorthuizen is een van de projecten uit het Statenakkoord. De
inspraak gaat over de startnotitie m.e.r., waarin staat welke varianten
voor de omleiding van de provinciale weg N303 in een
milieueffectrapportage met elkaar worden vergeleken. Veel aanwezigen op de
informatieavond hebben al hun reactie toegezegd op de startnotitie. Op 12
november sluit de inspraak en weten we hoeveel het heeft opgeleverd.
Samenvatting en beantwoording inspraakreacties Startnotitie N303 Omleiding Voorthuizen / ontsluiting Harselaar Zuid
|
Naam
inspreker |
Reactie |
Antwoord
provincie |
|
1.
College van Burgemeester en
Wethouders van de gemeente Barneveld |
De
gemeenteraad van Barneveld verzoekt de provincie het door de heer
van Elten (in samenwerking met de Kamer van Koophandel) opgestelde
alternatief voor de rondweg Voorthuizen (variant 8) in het MER
“omleiding Voorthuizen en ontsluiting Harselaar Zuid” op te
nemen. |
De
provincie zal deze variant 8 in het milieuonderzoek voor het MER
meenemen. In het MER zal alternatief ‘variant 8’ behandeld
worden. |
|
2.
J.W. Mijnarends, te Voorthuizen |
In
de startnotitie wordt geen oplossing gegeven voor de aansluiting op
de Rubensstraat. |
In
de startnotitie zijn alleen globale tracés aangegeven voor de
alternatieven van een rondweg. In het MER zullen de alternatieven
nader worden uitgewerkt waaronder ook de aansluiting op de
Rubensstraat. Pas na dit onderzoek wordt duidelijk welke maatregelen
noodzakelijk zijn. |
|
3.
Rijksdienst voor het
Oudheidkundig Bodemonderzoek, Kerkstraat 1 te Amersfoort |
Het
ROB geeft aan dat in de literatuurlijst van de startnotitie een
Beleidsnota en enkele uitgevoerde onderzoeken moeten worden
toegevoegd. |
De
literatuurlijst van de Startnotitie zal niet worden aangevuld, deze
is namelijk reeds definitief. Bij het uitvoeren van het
milieuonderzoek (MER) zullen de genoemde literatuurbronnen worden
verzameld en gebruikt. Dan kan ook worden bepaald of aanvullend
onderzoek noodzakelijk is. |
|
4.
P. Agterberg, Tromplaan 35 te
Voorthuizen |
Inspreker
vond het een positieve avond, maar vraagt zich af of de A30 in de
toekomst aangesloten zal worden op de A28. |
Er
is vanuit de rijksoverheid en provincie geen geld beschikbaar voor
een doortrekking van de A30 naar de A28. Daarom is besloten tot het
uitsluitend aanleggen van rondwegen. Hierdoor worden in ieder geval
de lokale (verkeers- en milieu)knelpunten grotendeels opgelost.
Echter, in de verkeersscenario’s zal rekening gehouden worden met
een doortrekking naar de A28. |
|
5.
Leefbaar Voorthuizen, p/a Frans
Halsstraat 65 te Voorthuizen |
Alternatief
I (west) heeft geen voorkeur vanwege de volgende nadelen: -
vanwege
ruimtegebrek wordt de kortsluiting van de Rubensstraat naar de
Apeldoornsestraat vormgegeven als een bajonetverbinding; hierdoor
zal deze verbinding niet tot een afname van het verkeer in de
Rembrandtstraat (N303) leiden; -
het
(overbelaste) zuidelijk deel van de Baron van Nagellstraat zal bij
dit alternatief nog verder belast worden en tot nog meer knelpunten
leiden; |
In
het MER zal onderzocht worden in hoeverre dit alternatief leidt tot
oplossing van de bestaande knelpunten en op welke wijze dit
alternatief bijdraagt aan de doelstelling van het project, namelijk
vermindering van het doorgaande verkeer in de kern Voorthuizen en
ontsluiting van bedrijventerrein Harselaar-Zuid.. Alle genoemde
punten worden in het MER meegenomen. |
|
|
-
dit
alternatief biedt geen oplossing voor het recreatieverkeer ten
oosten van Voorthuizen -
de
ontsluiting van Harselaar Zuid is onvoldoende geregeld -
de
Stationsweg (richting Barneveld) zal extra worden belast vanwege het
ontbreken van een extra aansluiting op de A1 |
|
|
|
Alternatief
II heeft de voorkeur van Leefbaar Voorthuizen omdat hierbij alle
nadelen van alternatief I wel worden opgelost en dit alternatief
reeds een groot draagvlak heeft bij (een groot deel van) de bewoners
van Voorthuizen. Nadeel
van dit alternatief is het vervallen van de aansluiting op de
Zelderseweg. Hierover dient overleg te worden gevoerd met RWS.
Bezien moet worden welke oplossingen hiervoor kunnen worden
getroffen. |
Hiervoor
geldt hetzelfde antwoord als bij alternatief I: alle voor- en
nadelen van dit alternatief zullen in het MER onderzocht worden. |
|
|
Een
alternatief voor tracé I: een oostelijke omleiding vanaf de Baron
van Nagellstraat/Verbindingsweg via Zeumeren naar de
Apeldoornsestraat en Rubensstraat |
In
het MER zal dit alternatief nader onderzocht worden.. |
|
|
Bij
de te onderzoeken aspecten dienen recentere tellinggegevens gebruikt
te worden dan die van 1999. Ook dient het aspect luchtkwaliteit te
worden meegenomen. |
In
de startnotitie zijn beide aspecten duidelijk aangegeven en zullen
als zodanig ook in het MER en verkeersmodel worden meegenomen. |
|
|
Overige
opmerkingen: -
wellicht
is het mogelijk om een verbod voor doorgaand vrachtverkeer in te
stellen; -
aandacht
moet worden besteed aan de fasering in de uitvoering van de weg om
ongunstige effecten te voorkomen; -
insprekers
zijn van mening dat het welzijn van de bewoners niet ondergeschikt
mag zijn aan de natuur en landschap; -
de
beschreven voorgeschiedenis van deze omleiding is niet compleet;
deze is namelijk veel langer. De angst bestaat dat de geschiedenis
zich opnieuw zal herhalen; -
er
wordt een complete planning met harde data gemist. |
-
Aandacht
zal besteed worden aan overlast tijdens de aanlegfase en mogelijke
fasering hiervan; -
in
het MER zal de geschiedenis van het project zal uitgebreider
beschreven worden in het MER. De
overige opmerkingen worden voor kennisgeving aangenomen. |
|
6.
Barneveldse Industriële Kring,
p/a Piersonlaan 2 te Barneveld |
Voor
het BIK heeft de oostelijke omleiding (alternatief II) de voorkeur
vanwege de positieve effecten voor Harselaar Zuid. |
Deze
opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen. |
|
7.
E. Bouwman, Zeumerseweg 41 te
Voorthuizen |
Inspreker
noemt dat de ontsluiting van het recreatiegebied Zeumeren niet goed
is geregeld. Gevraagd wordt hier ook aandacht aan te besteden bij
alternatief 1. |
Dit
aspect zal in het MER worden onderzocht. |
|
8.
T. Versloot, Rijksweg 78 te
Voorthuizen |
Voorgesteld
wordt om de weg vanaf de Nijkerkerweg aan de noordwestelijke kant
van Voorthuizen naar de Voorthuizerweg door te trekken en van daar
naar de Apeldoornsestraat. |
In
het MER wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar verschillende
alternatieven, ook naar dit alternatief. |
|
9.
Recreatiecentrum Ackersate, E.G.
van Ommen, Harremaatweg
26 te Voorthuizen |
Inspreker
vraagt aandacht voor de negatieve effecten van een (oostelijke)
rondweg voor de recreatie in de omgeving. Gevraagd wordt dit aspect
mee te nemen in de vervolgstudie. |
Dergelijke
mogelijke effecten op recreatie zullen worden meegenomen in het MER
en de daarbijbehorende afweging. |
|
10.
J. Hartman, Brugveensweg 1 te
Voorthuizen |
De
inspreker vraagt zich af of de aanleg van een omleiding rond
Voorthuizen wel noodzakelijk is gezien de grote investering die
hiermee gepaard gaat. Het verkeer door Voorthuizen is voornamelijk
bestemmingsverkeer en geen doorgaand verkeer. |
Vooronderzoek
heeft aangetoond dat er wel degelijk sprake is van veel doorgaand
verkeer door de kern en dat dit leidt tot leefbaarheidsproblemen. De
provincie heeft zich tot doel gesteld deze problemen op te lossen.
De kosten die hiermee gepaard gaan zullen uiteraard in de afweging
worden meegenomen. |
|
11.
M. Snijder, Rembrandtstraat 83
te Voorthuizen |
Inspreker
spreekt de teleurstelling uit over het opnieuw bestuderen van
alternatieven voor een omleiding bij Voorthuizen. Dit leidt opnieuw
tot vertraging voor het oplossen van de problematiek. |
In
een complex project als deze is het lastig om een oplossing te creëren
waarin alle betrokken partijen zich kunnen vinden. Ook de
doelstellingen zijn in de loop van de tijd gewijzigd. Belangrijk
is dat zowel de provincie als de gemeente nu voortvarend aan de slag
zijn gegaan om een oplossing te creëren. Het opstellen van een MER
is hierbij de eerste en noodzakelijke stap. |
|
12.
M. Top, Verbindingsweg 32 te
Voorthuizen |
Inspreker
maakt bezwaar tegen alternatief I aangezien deze over een deel van
het bedrijfsperceel loopt. |
De
aangegeven tracés zijn nog globale lijnen op de kaart en geeft het
zoekgebied aan voor de daadwerkelijke (te onderzoeken) tracés. In
het MER zullen gedetailleerde tracés worden uitgewerkt.
Doorsnijding van bestaande bedrijven zoals in dit geval is niet te
voorkomen. |
|
13.
Plaatselijk Belang Voorthuizen,
M.A. Schuit, p/a Noordersingel 126 te Voorthuizen |
De
vereniging Plaatselijk Belang Voorthuizen heeft een uitgebreide
notitie ingediend als reactie op de startnotitie. De vereniging
toont hiermee aan dat het een sterke voorkeur heeft voor een
oostelijke omleiding (alternatief II) bij Voorthuizen. Kort
samengevat worden de volgende argumenten hiervoor aangegeven. Als
voordelen van een oostelijke omleiding worden genoemd: -
het
creëren van een noodzakelijke extra ontsluiting op de A1; -
oplossing
van de verkeersproblemen in het centrum van Voorthuizen; -
het
daardoor verkeersluw kunnen maken van het centrum; -
vergroting
van de bereikbaarheid van Voorthuizen (oostelijk deel) en de
recreatiegebieden ten oosten en zuiden van Voorthuizen. De
westelijke omleiding heeft de volgende nadelen: -
er
ontstaat geen verkeersluw centrum van Voorthuizen; -
er
worden veel (agrarische) percelen doorsneden; -
aantasting
van het ecologische waardevolle landgoed Overhorst; -
geen
oplossing voor de bereikbaarheid van bedrijventerrein Harselaar; -
te
grote verkeersdruk op de Baron van Nagellstraat. |
Deze
uitgebreide rapportage met afweging voor verschillende
(milieu)aspecten wordt voor kennisgeving aangenomen. Alle aspecten
zoals genoemd in de rapportage zullen ook in het MER aan de orde
komen. |
|
14.
J. Zeeman, Plaggenmeierslaan 12
te Voorthuizen |
Inspreker
heeft de volgende bedenkingen tegen de westelijke omleiding (tracé
I): -
de
aansluiting van dit alternatief op de Voorthuizerstraat (N303) zal
ver buiten het dorp moeten worden gerealiseerd vanwege aanwezige
bebouwing/functies; hierdoor wordt het tracé relatief lang; |
-
Bij
de precieze uitwerking van het tracé in het MER zal dit duidelijk
worden; |
|
|
-
dit
alternatief heeft negatieve gevolgen voor de Baron van Nagellstraat;
deze weg zal nog zwaarder worden belast, als maatregel zal de weg
verbreed moeten worden en ook de verkeersveiligheid (voor
scholieren) komt in het geding; |
-
de
gevolgen voor deze weg zullen in het MER uitgebreid aan de orde
komen; |
|
|
-
is
het mogelijk dat de aan te leggen rondweg ook een lagere maximum
snelheid krijgt (bijv 60 km/u); |
-
deze
maatregel zal worden onderzocht; |
|
|
-
dit
alternatief biedt geen oplossing voor het recreatief
bestemmingsverkeer ten oosten van Voorthuizen, zodat het centrum
hiermee alsnog wordt belast. |
-
dit
aspect zal eveneens in het MER aan de orde komen. |
|
|
Voorgesteld
wordt om de aansluiting op de A1 bij de Baron van Nagellstraat af te
sluiten, een nieuwe aansluiting ten oosten van Voorthuizen te
realiseren en de aansluiting bij het knooppunt A1/A30 te handhaven.
Deze optie is voor een verkeersluw centrum van Voorthuizen het meest
gunstig, ook is deze oplossing goedkoper dan de herinrichting van de
Baron van Nagellstraat. Is deze oplossing te integreren met de
plannen van RWS? |
-
Het
afsluiten van de Baron van Nagellstraat wordt in alternatief 8
onderzocht; -
de
voorwaarden van Rijkswaterstaat zijn duidelijk, namelijk in de
nieuwe aansluiting A1/A30 is geen ruimte voor het aansluiten van
wegen van lokaal niveau. |
|
15.
Buurtvereniging Garderbroek e.o.,
p/a Garderbroekweg 15 te Voorthuizen |
De
Buurtvereniging geeft aan dat de westelijke omleiding meer voordelen
oplevert dan de oostelijke omleiding. Bij een westelijke omleiding
is de bereikbaarheid van Harselaar evengoed te garanderen met
eenvoudige maatregelen. De oostelijke omleiding is daarentegen zeer
duur, ontlast het centrum van Voorthuizen niet voldoende en heeft
nadelige gevolgen voor de recreatie in het gebied. |
In
het MER zal deze afweging aan de orde komen. |
|
16.
E.J. van ’t Ooster,
Bijschoterweg 9 te Voorthuizen |
Inspreker
spreekt de voorkeur uit voor een oostelijke omleiding, omdat deze
veel meer problemen oplost dan een westelijke omleiding. Met name de
Baron van Nagellstraat is al te zeer belast, ook heeft een
westelijke omleiding negatieve gevolgen voor de bewoners aan de
Verbindingsweg. |
Dit
wordt in het MER onderzocht.. |
|
17.
Gelderse Milieufederatie,
Jansbuitensingel 14 te Arnhem |
Te
onderzoeken alternatieven: -
in
de westelijke omleiding is een kortsluiting van de N303 (Rubensstraat)
met de Apeldoornsestraat (N344) opgenomen. Deze kortsluiting heeft
ook negatieve effecten (ecologie, landschap). Om ook een alternatief
zonder deze negatieve effecten te kunnen onderzoeken, stelt de
Milieufederatie voor om deze kortsluiting als variant op te nemen. |
-
Het
voorstel zal in overweging worden genomen. |
|
|
Samenhang
met MER Harselaar Zuid: -
Het
MER voor het bedrijventerrein Harselaar Zuid is reeds als
eindconcept klaar. Verwacht wordt dat, afhankelijk van de uitkomsten
van het MER Omleiding N303 / Ontsluiting Harselaar Zuid, dit MER nog
aangepast kan worden. |
-
Het
hangt af van de uitkomsten van het MER Omleiding N303 / Onstluiting
Harselaar Zuid of dit gevolgen heeft voor het MER Harselaar Zuid.
Dit MER wordt door de gemeente opgesteld en zal worden aangepast als
hiertoe aanleiding wordt gegeven. |
|
|
Te
onderzoeken aspecten: -
Het
onderzoeken van de congestiekans lijkt niet zinvol omdat hiervoor
geen normen beschikbaar zijn. Belangrijker om te onderzoeken is de
verandering in verkeersintensiteiten (verkeer); -
het
is van belang om ook het aandeel doorgaand en lokaal verkeer en het
aandeel van het recreatieve verkeer zichtbaar te onderzoeken
(verkeer); -
het
is gewenst om te onderzoeken of de alternatieven ook tot een toename
van doorgaand verkeer kunnen leiden (verkeer); -
de
effecten op de EHS (Wilbrinkbos) dient meegenomen te worden in het
milieuonderzoek (ecologie); -
bij
luchtkwaliteit dient ook inzicht te worden gegeven aan de bijdrage
van het doorgaande verkeer aan de totale fijn stofconcentraties
(woon- en leefmilieu); -
eveneens
onderzocht dient te worden in hoeverre een nieuwe rondweg leidt tot
barrièrewerking in het stedelijk uitloopgebied (m.n. ten oosten van
Voorthuizen) (ruimtelijke ordening en economie); -
tenslotte
dient onderzocht te worden wat de effecten op de verschillende
alternatieven zijn op de recreatieve beleving in de verschillende
natuurgebieden rondom Voorthuizen (RO en economie). |
-
De
congestiekans zal kwantitatief worden beschreven. De verandering in
verkeersintensiteiten wordt ook onderzocht; -
in
het verkeersmodel zijn de gegevens m.b.t. doorgaand en lokaal
verkeer beschikbaar en kan daardoor in het onderzoek worden
meegenomen; het aandeel recreatief verkeer zit niet specifiek in het
model, er wordt uitgegaan van een gemiddelde werkdag; -
idem; -
dit
aspect wordt in het MER eveneens onderzocht; -
getoetst
wordt aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit; indien er
een knelpunt ontstaat voor luchtkwaliteit zullen dergelijke gegevens
inzichtelijk worden gemaakt; -
dit
aspect wordt in het MER eveneens onderzocht; -
idem. |
|
18.
Bewonersvereniging De Steenkamp,
p/a De Steenkamp 132 te Voorthuizen |
-
Inspreker
hecht groot belang aan een samenhangende aanpak van de verschillende
rondwegen en de betekenis hiervan voor de EHS. |
-
De
provincie heeft in de startnotitie deze samenhang van de projecten
benadrukt. Deze samenhang komt tot uiting in het verkeersmodel dat
voor deze regio is opgesteld. Ook in het MER zal de samenhang worden
meegenomen. |
|
|
-
Tevens
wordt aandacht gevraagd voor de verschillende verkeersstromen in en
rond Voorthuizen/ Harselaar. Van belang daarbij zijn bijvoorbeeld de
aanleg van het transferium op Harselaar en de verbetering van de
ontsluiting van recreatiegebied Zeumeren. |
-
Deze
aspecten zullen in het verkeersmodel worden opgenomen |
|
|
-
De
aanwezigheid van recreanten in de omgeving van Voorthuizen leidt
m.n. in weekenden en hoogseizoen tot een gebrek aan parkeerruimte. |
-
Deze
opmerking wordt ter kennisgeving aangenomen. |
|
|
-
Opgemerkt
wordt dat een nieuwe aansluiting op de A1 (Oost) (en daarmee gepaard
gaande afsluiting van de Zelderseweg op de A1) alleen mogelijk is
bij aansluiting van een nieuwe weg met regionale betekenis. |
-
De
provincie is van deze voorwaarde van Rijkswaterstaat op de hoogte |
|
|
-
De
alternatieven dienen op gelijke wijze te worden behandeld, dus ook
de ontwerpsnelheid van de rondwegen dient gelijk te zijn. |
-
De
genoemde maximale ontwerpsnelheid voor de verschillende tracés
wordt als basis gebruikt voor het MER; hiermee is nog geen keuze
gemaakt voor het uiteindelijke snelheidsregime op de weg |
|
|
-
Alternatief
II (inclusief nieuwe aansluiting op de A1) kan niet worden beschouwd
als echte rondweg omdat een groot deel van het tracé een 50 km/h
zone heeft. Daarnaast heeft dit tracé ook negatieve gevolgen voor
de ecologische betekenis en barrièrewerking voor het Wilbrinksbos.
Door de afsluiting van de Zelderseweg heeft dit alternatief ten
slotte ook negatieve gevolgen voor de bereikbaarheid van Terschuur
en Zwartebroek. |
-
Deze
aandachtspunten zullen in het MER worden onderzocht. |
|
|
-
inspreker
wijst er op dat het transferium op het bestaande Harselaar (en niet
de uitbreiding) wordt gerealiseerd. Ook niet genoemd is dat voor
realisering van het knooppunt A30/A1 reeds in 1992 een m.e.r.-procedure
is gevolgd. De besluitvorming hierover is destijds stopgezet. |
-
Deze
opmerkingen zijn ter kennisgeving aangenomen. |
|
|
-
Gevraagd
wordt de kosten van de te onderzoeken alternatieven in beeld te
brengen ten behoeve van een zorgvuldige vergelijking. |
-
Dit
aspect zal uiteraard een rol spelen in de uiteindelijke afweging. |
|
19.
H. Wildeboer, Rijksweg 66 te
Voorthuizen |
Inspreker
stelt dat een nieuwe rondweg bij Voorthuizen niet te mooi moet
worden uitgevoerd, omdat dit ongewenst sluipverkeer aantrekt.
Gezocht moet worden naar een combinatie van ontlasting centrum
Voorthuizen en een minimale aantasting van het landschap. |
In
het MER zal worden gezocht naar een goede oplossing waarbij verkeers-
en milieuproblemen ook in de toekomst (zoveel mogelijk) worden
voorkomen. In de afweging naar een definitieve oplossing worden ook
aspecten als aantasting van het landschap meegenomen. |
|
20.
G. van der Neut, Rijksweg 76 te
Voorthuizen |
Inspreker
noemt de volgende argumenten vóór een oostelijke omleiding van de
N303: -
een
oostelijke aansluiting is alleen al noodzakelijk vanwege de
uitbreiding van Harselaar; nu al is de aansluiting op de Baron van
Nagellstraat overbelast, dat wordt zonder extra aansluiting alleen
maar erger; -
een
oostelijke omleiding leidt tot minder overlast van het recreatieve
verkeer in de kern Voorthuizen; -
een
westelijke omleiding leidt tot aantasting van het woongenot van
inspreker en tot doorsnijding van agrarische percelen. |
De
argumenten die worden genoemd zullen in het MER worden meegenomen.
In de afweging van de alternatieven zal ook worden getracht de
doorsnijding van agrarische percelen en aantasting van woongenot
(waar mogelijk) te voorkomen. |
|
21.
Bewoners Hoornweg/ Peppelseweg,
p/a Hoornweg 10 te Barneveld |
De
bewoners van de Peppelseweg geven aan dat een rondweg tussen
Harselaar en de Wesselseweg negatieve effecten voor hun woonomgeving
heeft. Om deze effecten beperkt te houden hebben insprekers een
schets met een voor hun optimaal tracé meegestuurd. |
De
reactie met daarbij het tracé tussen Harselaar en Wesselseweg wordt
ter kennisgeving aangenomen. In het MER zal nader onderzoek
plaatsvinden naar een optimaal tracé voor dit deel van de
omleiding. |
|
22.
D. van Aalten (gemeente
Wageningen) |
Inspreker
wil met het oog op een project in Wageningen graag weten in hoeverre
hiervoor ook een m.e.r.-plicht geldt. |
Deze
reactie heeft geen directe relatie met onderliggend project. Voor
meer informatie hierover wordt verwezen naar de website van het
ministerie van VROM of Infomil. |
|
23.
Ondernemers Vereniging
Voorthuizen, Sportparkstraat 2 te Voorthuizen |
De
Ondernemers Vereniging spreekt zich uit voor het nemen van enkele
maatregelen ten gunste van een aantrekkelijk centrum van Voorthuizen. |
De
reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. Maatregelen die
betrekking hebben op het verkeersluw maken cq. herinrichten van
doorgaande wegen hebben een directe relatie met het aanleggen van
een rondweg (en dus ook dit MER). Maatregelen die betrekking hebben
op het herinrichten (en aantrekkelijker maken) van het centrum
worden in het MER omschreven, maar niet concreet aangegeven. |
|
24.
J. de Wit, Sportparkstraat 11 te
Voorthuizen |
-
De
bewoners van de Sportparkstraat geven aan dat het niet acceptabel is
als het centrum van Voorthuizen verkeersluw wordt gemaakt voordat de
omleiding volledig is gerealiseerd. Dit leidt namelijk tot
sluipverkeer in aansluitende en daarvoor niet geschikte straten. -
De
Sportparkstraat dient de status verblijfsgebied te krijgen en
zodanig verkeerstechnisch aangepast te worden. -
Na
de aanleg van de rondweg de ontsluitingsroute tussen de
Rembrandtstraat en Apeldoornsestraat opheffen en verkeerstechnisch
aanpassen. |
-
Deze
fasering van werkzaamheden zal in het MER aan de orde moeten komen; -
dit
zal nader bekeken worden; -
dit
zal nader bekeken worden. |
|
25.
J.M.J. van Haarlem & J.M.G
Kwaspen, Overhorsterweg 38 te Voorthuizen |
-
Insprekers
geven aan dat de N303 met name wordt overbelast door het doorgaande
noord-zuid (vracht)verkeer en het recreatieve bestemmingsverkeer ten
oosten van Voorthuizen. Intensivering van de recreatie en het
bedrijventerrein Harselaar leidt tot een toename van dit verkeer.
Geconcludeerd wordt dat een oostelijke omleiding de beste oplossing
is voor vermindering van de verkeersdruk. Een westelijke omleiding
leidt met name tot een aantasting van het landelijk en ecologisch
waardevol gebied ten noordwesten van Voorthuizen en tot extra hinder
(geluid, lucht, veiligheid) voor de kern. De oostelijke omleiding
dient daarom als meest milieuvriendelijk alternatief te worden
beschouwd. -
Als
alternatief voor het doorgaande noord-zuidverkeer wordt aangedragen
de verbinding via de N344 en de N302 richting Harderwijk. |
-
In
het MER zullen deze aspecten worden meegenomen in het
milieuonderzoek en de uiteindelijke afweging. -
Dit
scenario wordt verder onderzocht in het MER. |
|
26.
Fam. Fortman & Kleyer,
Verbindingsweg 30/26 te Voorthuizen |
Insprekers
zijn tegen de aanleg van welke omleiding om Voorthuizen dan ook. Een
nieuwe weg leidt alleen maar tot meer verkeerstrekkende werking en
tot schade aan natuur en woongenot. Verzocht wordt ook de
nulsituatie met aanvullende maatregelen aan de bestaande wegen te
onderzoeken en dit te vergelijken met de alternatieven. |
Uit
verkeersonderzoek is gebleken dat het woon- en leefmilieu in de kern
Voorthuizen onder druk staat en dat hier een oplossing voor moet
komen. In het MER wordt onderzoek gedaan naar de mogelijke
oplossingen hiervoor, ook de nul- en nulplus-situatie worden in
beeld gebracht. |
|
27.
GLTO Belangenbehartiging,
Postbus 126 te Deventer |
In
de reactie van de GLTO komt het volgende naar voren: -
De
teleurstelling dat het in de klankbordgroep aangedragen alternatief
van verbreding van de A28 en A1 niet tot de studiemogelijkheden
hoort; -
de
GLTO sluit zich aan bij de reactie van Vereniging Plaatselijk Belang
Voorthuizen; -
in
de startnotitie wordt te weinig aandacht besteed aan de gevolgen die
een nieuwe weg kan hebben voor de landbouw; ook niet-economische
gevolgen moeten worden meegenomen; -
rekening
moet worden gehouden met de reconstructie van het landbouwgebied,
met name aan de noordoostkant van Barneveld; -
ook
de optie van het handhaven van de ontsluiting via de Stationsweg
dient onderzocht te worden. |
-
Rijkswaterstaat
is reeds bezig met het onderzoek naar deze maatregelen; deze
maatregelen vallen echter buiten de competentie van de gemeente en
provincie en zullen niet direct in het MER worden meegenomen. In het
verkeersmodel wordt er echter van uitgegaan dat in 2020 de A1 en A28
verbreed zijn en een nieuwe (turboplein)aansluiting bij Hoevelaken
is gerealiseerd; -
dit
wordt ter kennisgeving aangenomen; -
alleen
de kwantificeerbare gevolgen voor de landbouw kunnen onderzocht
worden (doorsnijding van landbouwpercelen); andere effecten komen
deels ook in andere aspecten naar voren, zoals bij landschap en
ecologie; -
dit
wordt in het MER meegenomen; -
de
opheffing van de aansluiting bij de Baron van Nagellstraat/
Stationsweg is niet in de voorwaarden van Rijkswaterstaat opgenomen.
Het betreft alleen de opheffing van de aansluiting van de
Zelderseweg, indien er een aansluiting Harselaar Oost komt. |
|
28.
H. Bergers, Wolkammerslaan 18 te
Voorthuizen |
Voor
een samenvatting van deze reactie wordt verwezen naar
inspraakreactie nr. 25. |
Voor
een antwoord op deze reactie wordt verwezen naar inspraakreactie nr.
25. |
|
29.
Gresnigt & van Kippersluis,
namens Bosch Beton Industrie aan de Wesselseweg te Barneveld |
-
Gelet
op de procedurele belemmeringen van de uitbreiding van Harselaar
(bestemmingsplan) merkt het bedrijf Bosch Beton op dat het
verstandiger is te beginnen met het ontwikkelen van die delen die
niet omstreden zijn. Dit zijn onder andere de gebieden Harselaar
Oost (de Driekhoek) en West. |
-
Deze
opmerking wordt ter kennisgeving aangenomen. Er bestaat geen directe
relatie met de m.e.r.-procedure voor de rondwegen. Het MER Harselaar
Zuid wordt nl. opgesteld door de gemeente. |
|
|
-
Inspreker
verwacht dat een oostelijke omleiding niet realistisch is gezien de
voorwaarde van RWS dat bij een nieuwe aansluiting op de A1 een
andere aansluiting dient te vervallen; daarom draagt inspreker een
derde alternatief aan voor het onderzoek: namelijk een westelijke
omleiding die begint bij Nijkerkerweg (huidige viaduct Harselaar
West) en via de Rijksweg in een ruime boog om Voorthuizen heen
loopt; deze sluit ook goed aan op een (eventueel toekomstige)
doortrekking van de A30 naar de A28. |
-
In
het MER wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar verschillende
alternatieven, ook naar dit alternatief. |
|
30.
VNO NCW Valleiregio en
Barneveldse Industriële Kring |
VNO
NCW spreekt haar waardering uit voor de voortgang die momenteel in
het onderzoek wordt geboekt. De voorkeur wordt uitgesproken voor de
oostelijke omleiding (t.b.v. Harselaar), de organisatie is tegen de
westelijke omleiding (geen structurele oplossing). |
De
reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. |
|
31.
Transport en Logistiek
Nederland, Postbus 655 te Apeldoorn |
Transport
en Logistiek Nederland geeft het volgende in haar reactie weer: -
aandacht
voor het convenant over het opheffen van op- en afritten van de A1
bij Hoevelaken; -
het
is wenselijk dat er een verkeersonderzoek wordt uitgevoerd; niet
alleen naar het verkeer van de woonkernen en bedrijventerreinen,
maar ook van solitair gevestigde bedrijven; -
het
is wenselijk dat in de klankbordgroep ook de belangen van
verkeersdeelnemers worden behartigd; TLN stelt zich hiervoor
beschikbaar. |
De
reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. De afspraken rond het
betreffende convenant zijn bekend. Recentelijk is er een nieuw
verkeersonderzoek uitgevoerd dat als basis dient voor het MER. |
|
32.
Mw. Bos-Schut, Plaggenweg 11 te
Kootwijkerbroek |
Inspreker
is tegen de aanleg van een oostelijke omleiding vanwege de
geluidsoverlast van deze weg. |
Het
aspect geluidhinder zal in het MER worden meegenomen. Wanneer in het
milieuonderzoek knelpunten worden geconstateerd op het gebied van
geluid, dan zal bij een uitwerking van het definitieve tracé
maatregelen hiervoor nader worden onderzocht. |
|
33.
Kamer van Koophandel Veluwe en
Twente, Deventerweg 1 te Harderwijk |
De
Kamer van Koophandel geeft het volgende in haar reactie aan: -
aandacht
wordt gevraagd voor de intensivering van het recreatiegebied
Zeumeren en de gevolgen hiervan voor het wegennet; -
gepleit
wordt voor een oostelijke omleiding in combinatie met een nieuwe
aansluiting op de A1; -
de
KvK staat achter de bezwaren van de Vereniging Plaatselijk Belang
tegen een westelijke omleiding, omdat deze geen oplossing brengt
voor de problematiek in Voorthuizen en Barneveld. |
De
reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. Het eerste aandachtspunt
zal in het MER worden meegenomen. |
|
34.
P. Steenkamer, Molenweg 117 te
Voorthuizen |
Inspreker
vraagt rekening te houden met de gevolgen van een omleiding voor het
landbouwverkeer. |
Dit
aspect zal in het MER worden meegenomen. |
|
35.
A.C. Visser, Noordersingel 86 te
Voorthuizen |
Inspreker
geeft aan dat een westelijke omleiding leidt tot de volgende
negatieve effecten: doorsnijding landschap en een nog drukkere Baron
van Nagellstraat. Bij een extra ontsluiting van Harselaar wordt dit
voorkomen. |
Deze
reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. De aandachtspunten worden
in het MER meegenomen. |
|
36.
G.J. van ’t Ooster, Baron van
Nagellstraat 108 te Voorthuizen |
Inspreker
is tegen een westelijke omleiding omdat hij hierdoor tussen twee
wegen komt te wonen. Daarnaast zal deze omleiding leiden tot
knelpunten op andere wegen. |
Deze
reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. |
|
37.
G.J. van Elten, Tromplaan 1 te
Voorthuizen |
In
deze reactie wordt de wens uitgesproken dat in het MER ook een derde
alternatief wordt meegenomen, namelijk het alternatief 8 van de
Werkgroep Infrastructuur Harselaar (aug. 2002). In dit alternatief
wordt gekozen voor twee aansluitingen op de A1 (oost en west)
waarbij de aansluiting op de Baron van Nagellstraat (midden) komt te
vervallen. Het centrum van Harselaar wordt ontsloten door middel van
parallelwegen langs de A1. Bij
deze reactie zijn diverse stukken over dit alternatief en de
correspondentie hierover meegestuurd. Deze zijn hier niet
samengevat. |
De
provincie zal deze variant 8 in het milieuonderzoek voor het MER
meenemen. In het MER zal alternatief ‘variant 8’ behandeld
worden. Zie ook het antwoord op reactie nr. 1. |
|
38.
Van Westreenen Adviseurs voor
Buitengebied, namens Veehouderij Van Drie aan de Rijksweg 51 te
Voorthuizen |
Adviseur
VanWestreenen vraagt namens veehouder Van Drie rekening te houden
met dit veehouderijbedrijf en de gevolgen hiervan in beeld te
brengen. |
In
het MER worden negatieve gevolgen voor bijvoorbeeld agrarische
bedrijven op een algemene wijze in beeld gebracht. Mocht het
definitief tracé negatieve gevolgen hebben voor dit bedrijf dan
zullen mogelijke oplossingen en de consequenties in een verdere
uitwerking van het wegontwerp nader moeten worden uitgezocht. |
|
39.
P.J. Achterstraat , Rijksweg 64
te Voorthuizen |
Inspreker
maakt bezwaar tegen de aanleg van de omleiding van de N303. Deze weg
zal komen te liggen nabij de betreffende woning en daardoor het
woon- en leefmilieu verstoren (uitzicht en verkeerslawaai). |
In
het MER zal eerst onderzocht worden welk alternatief de voorkeur
verdient. Pas dan wordt duidelijk of deze omleiding negatieve
gevolgen heeft voor uw woning. Indien dat ook daadwerkelijk het
geval is zal in ieder geval onderzocht worden in hoeverre deze
negatieve effecten voorkomen kunnen worden. |
|
40.
W. van den Brink, Thorbeckelaan
54 te Barneveld |
Inspreker
heeft als reactie een uitgebreid onderzoek opgestuurd. In de stukken
wordt aangegeven dat de huidige plannen met name te kostbaar zijn en
dat er goedkopere alternatieven zijn. Hoofdpunten van zijn
alternatief zijn: -
gedeeltelijke
aansluitingen op de A1 (ipv een lang en duur viaduct); -
een
verbindingsweg parallel aan de Esvelderbeek (ipv lange en dure
zuidelijke rondweg). |
In
het MER wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar verschillende
alternatieven, ook naar dit alternatief. |
|
41.
A. van der Gugten, Rijksweg 68
te Voorthuizen |
Inspreker
maakt bezwaar tegen de geplande omleiding rond Voorthuizen aangezien
er ook andere alternatieven zijn (deze zijn niet genoemd in de
reactie). |
Deze
reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. |
|
42.
RGV Holding BV, Van der Houven
van Oordtlaan 6 te Apeldoorn |
RGV
wijst in haar reactie erop dat het aspect recreatie en toerisme
weinig aandacht krijgt. In het bijzonder wordt gewezen op de
ontsluiting van het recreatiegebied Zeumeren en de intensivering
daarvan in de toekomst. |
In
het MER zal het aspect recreatie voldoende aandacht worden krijgen. |
Groep Hop nodigt u uit na te denken over menselijke conditionering in marketing en de waarde die eraan gehecht wordt als een illusie
Dinsdag 27 februari 2007 gemeente Barneveld organiseert een provinciale verkiezingsbijeenkomst met als thema de aanleg van de oostelijke rondweg en de ontsluiting van het bedrijventerrein Harselaar
27 februari 2007 Debat 19:30 uur Edda Huzit. Debat over rondweg Voorthuizen, gemeente Barneveld (Bevestiging 200207 12:25 uur)
provincie gelderland
omleiding voorthuizen en ontsluiting harselaar
zuid
startnotitie m.e.r.
opdrachtgever : provincie Gelderland
nummer : 354.10523.02
datum : 4 augustus 2004
354.10523.02
Inhoud 1
Colofon
1. Inleiding blz. 3
1.1. Aanleiding 3
1.2. Doel en inhoud startnotitie 3
1.3. Procedure in kort bestek en relatie met SMB 5
1.4. Ligging plan- en studiegebied 6
1.5. Programma van Wensen en Eisen 6
2. Probleem- en doelstelling beleidskader 7
2.1. Inleiding 7
2.2. Probleemstelling 7
2.3. Doelstelling studie 9
2.4. Beleidskader 9
3. Voorgenomen activiteit en tracéalternatieven 11
3.1. Inleiding 11
3.2. Voorgenomen activiteit 11
3.3. Uitgangspunten en randvoorwaarden 11
3.4. Trechtering tracéalternatieven 13
3.5. Te onderzoeken tracéalternatieven 15
4. Te onderzoeken aspecten 17
4.1. Inleiding 17
4.2. Verkeer 17
4.3. Landschap en cultuurhistorie 19
4.4. Bodem en water 22
4.5. Ecologie 24
4.6. Woon- en leefmilieu 25
4.6.1. Wegverkeerslawaai 25
4.6.2. Luchtkwaliteit 26
4.6.3. Externe veiligheid 26
4.7. Ruimtelijke ordening en economie 26
5. Procedure en tijdsplanning 29
Bijlagen:
1. Samenstelling overleggroepen.
2. Programma van Wensen en Eisen.
3. Beleidskader.
4. Verkenning tracéalternatieven.
5. Achtergrondinformatie verkeer.
6. Literatuurlijst.
Inhoud 2
354.10523.02
blanco pagina
354.10523.02
1. Inleiding 3
1.1. Aanleiding
In de huidige situatie wordt de N303 in grote mate belast door veel doorgaand (vracht)verkeer
in noord-zuidrichting. Toekomstige ontwikkelingen wijzen uit dat de verkeersdruk op deze weg
alleen nog maar zal toenemen. Dit betekent voor de bestaande weg, met bijbehorende aansluitingen
en uitwegen, een overbelasting. Dit leidt tot problemen op het gebied van verkeersafwikkeling
en bereikbaarheid, verkeersveiligheid en woon- en leefmilieu.
Deze problemen spelen zich vooral af in de kernen Putten en Voorthuizen, maar ook de binnenwegen
in het studiegebied ondervinden problemen als gevolg van sluipverkeer. Het omleiden
van de bestaande N303 ter hoogte van de kern Voorthuizen moet een oplossing bieden
voor de heersende verkeersproblematiek in en nabij deze kern.
Een relevante ontwikkeling is de uitbreiding van het bedrijventerrein Harselaar (Harselaar Zuid),
ten zuiden van de A1. Met het oog op deze uitbreiding is het bedrijventerrein onvoldoende bereikbaar.
De gemeente Barneveld en de provincie Gelderland hebben met elkaar overeenstemming
bereikt dat een nieuwe omleidingsweg tevens een functie dient te vervullen voor de
ontsluiting van het bedrijventerrein. Dit houdt in dat de omleidingsweg zal worden doorgetrokken
tot de Wesselseweg. Deze afspraken zijn vastgelegd in een Bestuurlijke overeenkomst.
Dit project is gerelateerd aan een overkoepelend project waarbij de algemene
verkeersproblematiek in het gebied tussen de A28 en de A1 (Putten en Voorthuizen) nader
wordt onderzocht (zie ook tekstkader).
Integrale aanpak en aparte procedures
De beschreven verkeersproblematiek op de N303 en omgeving is regionaal van aard. Belangrijkste
oplossingen die worden voorgedragen, zijn de plaatselijke omleidingen van de N303 ter hoogte van Putten
en Voorthuizen. Voorafgaand aan deze startnotitie is het onderzoek met name gericht op een integrale
aanpak van de problematiek. Gedurende dit proces is duidelijk geworden dat de problematiek en
voorgestelde oplossingen voor beide omleidingen sterk van elkaar verschillen. Daarom is besloten voor
beide omleidingen een separate m.e.r.-procedure te doorlopen. Dit betekent dat zowel de startnotities, als
de richtlijnen en de milieueffectrapportages apart worden opgesteld.
Desalniettemin is het van belang problematiek en oplossingen in samenhang met elkaar en integraal te
blijven bekijken. Voorgestelde oplossingen en nieuwe verbindingen in deze regio kunnen onlosmakelijk
invloed op elkaar hebben. Daarom zal het voor het MER noodzakelijke verkeersonderzoek (en eventueel
andere noodzakelijk onderzoeken) zoveel mogelijk integraal worden ingestoken.
1.2. Doel en inhoud startnotitie
Waarom een milieueffectrapportage?
De omleiding van de N303 ter hoogte van Voorthuizen is m.e.r.-plichtig op grond van het Besluit
milieueffectrapportage (Stb. 1994, nr. 540, zoals gewijzigd bij besluit van 7 mei 1999, Stb. 224).
De aanleg van deze omleiding valt onder categorie 1.2, aanleg van een autoweg, niet zijnde
hoofdweg. Onder de definitie van een autoweg wordt verstaan:
a. een voor autoverkeer bestemde weg die alleen toegankelijk is via knooppunten of door
verkeerslichten geregelde kruispunten en waarop het verboden is te stoppen; of
b. een weg als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
1990.
De omleiding van de N303 bij Voorthuizen voldoet aan beide criteria. Voor onderdeel a geldt dat
het de bedoeling is de N303 aan te sluiten op de A1. Voor onderdeel b van de definitie geldt dat
de N303 een regionale ontsluitingsweg (80 of 100 km/h) wordt volgens de uitgangspunten van
het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen activiteit m.e.r.-plichtig is.
Inleiding 5
354.10523.02
Doel startnotitie
Deze startnotitie is de eerste stap in de procedure van milieueffectrapportage (m.e.r.) voor deze
ontwikkeling. De startnotitie vormt de basis voor de inspraak en advisering over de vast te stellen
richtlijnen. Het doel van een m.e.r. is het milieubelang, naast andere belangen, een volwaardige
plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk ernstige gevolgen
voor het milieu. In dit geval wordt de m.e.r.-procedure gevolgd in het kader van de besluitvorming
over een streekplanwijziging voor de omleiding van de N303.
Inhoud startnotitie
In deze startnotitie wordt op hoofdlijnen aandacht besteed aan:
- het plan- en studiegebied;
- de voorgenomen activiteit;
- het geldend beleid dat van invloed kan zijn op het plan;
- de doelstelling van het project;
- mogelijke alternatieven;
- mogelijke milieugevolgen die in het MER zullen moeten worden onderzocht;
- de verdere procedure en tijdsplanning.
1.3. Procedure in kort bestek en relatie met SMB
De m.e.r.-procedure is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm). Op grond van
de artikelen 7.12 tot en met 7.15 moet eerst door de initiatiefnemer een startnotitie worden opgesteld
en door het bevoegd gezag in procedure worden gebracht. Initiatiefnemer in deze is
Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, het bevoegd gezag is Provinciale Staten
van de provincie Gelderland.
Naar aanleiding van de startnotitie en de inspraakreacties en adviezen stelt het bevoegd gezag
vervolgens de richtlijnen vast, waaraan de inhoud van het hierna op te stellen milieueffectrapport
(MER1)) moet voldoen.
De omleiding van de N303 bij Voorthuizen is nog niet (geheel) voorzien in het vigerende streekplan.
Om de (gehele) omleiding van de N303 mogelijk te maken, dient de m.e.r.-procedure
daarom te worden doorlopen in het kader van de besluitvorming voor een wijziging van het
streekplan. In hoofdstuk 5 wordt verder op de procedurele zaken ingegaan.
Omlegging N303 en Strategische Milieubeoordeling (SMB)
Wat is Strategische Milieubeoordeling?
Op 27 juni 2001 is de Europese richtlijn 2001/42/EG vastgesteld, "betreffende de beoordeling
van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's". De richtlijn, die bekend
staat als Strategische Milieubeoordeling (SMB), is van toepassing op plannen die een kader
scheppen voor concrete (m.e.r.-plichtige) projecten of gevolgen hebben voor habitatrichtlijngebieden.
Binnen een plan (zoals een streekplan) kan sprake zijn van meerdere SMB-plichtige activiteiten.
In het kader van de SMB dient een milieurapport te worden opgesteld dat ingaat op de mogelijke
alternatieven en effecten van deze activiteiten. Het milieurapport dient vervolgens in de inspraak
gebracht te worden en het bevoegd gezag van het SMB-plichtige plan moet motiveren
welke rol het milieurapport en de inspraakreacties gespeeld hebben bij het te nemen besluit.
Een milieurapport kan qua inhoudsvereisten goed vergeleken worden met het al langer verplichte
MER.
Op 21 juli 2004 moet de richtlijn in de nationale regelgeving van alle lidstaten zijn ingebed.
Wanneer dat niet het geval is, is de Europese richtlijn zelf rechtstreeks van kracht in het betreffende
land. Dit wordt directe werking genoemd. In Nederland zal de Wet milieubeheer niet eerder
dan medio 2005 zijn aangepast op de bovengenoemde richtlijn. Daarom is in Nederland
vanaf 21 juli 2004 sprake van de directe werking van de Europese richtlijn 2001/42/EG.
1) Met de afkorting MER wordt het milieueffectrapport bedoeld; m.e.r. is de afkorting van milieueffectrapportage (instrument,
procedure).
Inleiding 6
354.10523.02
SMB en de omleiding van de N303 Voorthuizen
Op dit moment (zomer 2004) is de Provincie Gelderland bezig met het opstellen van een nieuw
streekplan. Voor dit streekplan moet een Strategische Milieubeoordeling plaatsvinden. Dit houdt
in dat, indien het Streekplan Gelderland het kader biedt voor later m.e.r.-plichtige besluiten dan
wel een passende beoordeling in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn, voor die activiteiten
een milieurapport moet worden opgesteld.
De omleiding van de N303 bij Voorthuizen wordt niet in het nieuwe streekplan opgenomen. De
provincie zal pas besluiten over de uiteindelijke tracékeuze van de omleiding na vaststelling van
het nieuwe streekplan. De omlegging zal in een partiële herziening van dit streekplan worden
vastgesteld (eerste plan dat in de aanleg van de rondweg voorziet). Bij deze partiële streekplanherziening
zal het MER tevens functioneren als SMB. Om aan alle SMB-eisen te voldoen,
zal in het MER ook de biodiversiteit onderzocht worden.
1.4. Ligging plan- en studiegebied
In figuur 1 is het plan- c.q. studiegebied weergegeven met daarop aangegeven de belangrijkste
wegen en woonkernen.
Plangebied
Het plangebied is het gebied waarin de provinciale weg N303 ter hoogte van Voorthuizen zal
worden omgelegd en het bedrijventerrein Harselaar Zuid wordt ontsloten.
De noordelijke grens van het plangebied wordt bepaald door het gebied direct ten noorden van
Voorthuizen waar de N303 vanuit Putten Voorthuizen binnenkomt (Rubensstraat).
Voor de westelijke grens wordt het gebied ten westen van Voorthuizen tot en met de Zelderseweg
meegenomen, en ten zuiden van de A1 door de Stationsweg. De zuidelijke grens wordt
bepaald door de Wesselseweg. De oostelijke grens wordt bepaald door het Veluwemassief en
het gebied aangrenzend daaraan tot aan de Wesselseweg.
Studiegebied
Het studiegebied is het gebied waar effecten, als gevolg van de voorgenomen activiteit, (kunnen)
optreden. De omvang van het studiegebied kan niet bij voorbaat worden aangegeven. Uit
het onderzoek, dat in het kader van het MER zal worden uitgevoerd, zal blijken hoever de milieugevolgen
zich uitstrekken. Dit kan per milieuaspect verschillen.
1.5. Programma van Wensen en Eisen
Naast de randvoorwaarden die binnen de voorgenomen activiteit zijn vastgesteld voor het project,
moet het project zoveel mogelijk aansluiten bij de wensen en eisen die leven bij de projectomgeving.
Daartoe heeft de provincie het initiatief genomen tot het instellen van zowel een
maatschappelijke als ambtelijke klankbordgroep (zie ook bijlage 1). Door middel van enkele bijeenkomsten
hebben de leden van deze klankbordgroepen de mogelijkheid gekregen in een
vroeg stadium mee te denken over dit project en in het bijzonder de inhoud van de startnotitie,
richtlijnen en daarmee het MER.
De inbreng van wensen en eisen van de leden van de klankbordgroepen is weergegeven in het
Programma van Wensen en Eisen. Dit Programma vormt de basis voor de definiëring en nadere
uitwerking van tracévarianten voor de omleiding van de N303 bij Voorthuizen. Relevante
opmerkingen zijn verwerkt in deze startnotitie. In bijlage 2 is het Programma van Wensen en Eisen
opgenomen.
354.10523.02
2. Probleem- en doelstelling beleidskader 7
2.1. Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de bestaande problematiek en de achtergronden
van het project. Hieruit vloeit de doelstelling van de startnotitie voort. Vervolgens wordt kort
ingegaan op het relevante beleidskader.
2.2. Probleemstelling
Algemene verkeersproblematiek
In de huidige situatie wordt de N303 in grote mate belast door veel doorgaand (vracht)verkeer
in noord-zuidrichting. Naar verwachting zal in de toekomst de verkeersdruk op deze wegen alleen
nog maar toenemen. Daar zijn twee belangrijke redenen voor. Allereerst zal naar verwachting
de verkeersdruk rond knooppunt Hoevelaken toenemen. Ten tweede zullen binnen de regio
nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden die extra verkeer genereren. De ontwikkeling van het bedrijventerrein
Harselaar is daarbij belangrijk, maar ook andere toekomstige uitbreidingen in
Voorthuizen en Putten. Dit betekent voor de bestaande weg, met bijbehorende aansluitingen en
uitwegen, een overbelasting en vergroting van de problemen op het gebied van:
- verkeersafwikkeling en bereikbaarheid;
- verkeersveiligheid;
- woon- en leefmilieu.
Problematiek ter hoogte van Voorthuizen / Barneveld
In het gebied tussen Barneveld-Harselaar en Voorthuizen zijn diverse ontwikkelingen voorzien,
waaronder de stedenbouwkundige ontwikkelingen in Barneveld en Voorthuizen en de uitbreiding
van het bedrijventerrein Harselaar. Naast de algemene autonome mobiliteitstoename, zal
dit naar verwachting leiden tot een aanzienlijke verkeersgroei.
De verkeersdruk concentreert zich op de provinciale verbinding N805 (Stationsweg)-N303 (Baron
van Nagellstraat), de aansluiting op de A1 bij de Harselaar en de doorgaande wegen door
Voorthuizen. Ook de aanwezigheid van de recreatiegebieden ten oosten van Voorthuizen zorgt
voor veel extra verkeer in oost-westrichting door de kern.
De te verwachten toename van het verkeer heeft direct gevolgen voor de leefbaarheid in Voorthuizen,
waarbij gedacht moet worden aan problemen op het gebied van verkeersafwikkeling,
verkeersveiligheid en woon- en leefmilieu.
Daarnaast staat ook de bereikbaarheid van het bedrijventerrein Harselaar onder druk, mede
vanwege de uitbreiding van het bedrijventerrein Harselaar (Harselaar Zuid).
In relatie tot de druk op de bestaande verkeersstructuur is ook relevant om te noemen de intensivering
van het recreatieterrein Zeumeren en de aanleg van het transferium Barneveld-noord
op het bedrijventerrein Harselaar.
In paragraaf 4.2 wordt uitgebreid ingegaan op de verkeersproblematiek in het algemeen en in
Voorthuizen/Barneveld.
Probleemstelling
De probleemstelling kan op grond van het voorgaande als volgt worden samengevat:
- de provinciale weg N303 is zwaar belast mede als gevolg van doorgaand (vracht)verkeer;
- het intensieve doorgaande verkeer tast de leefbaarheid in de kern Voorthuizen in sterke
mate aan; het gaat daarbij vooral om verkeersafwikkeling, verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid
(geluidshinder, barrièrewerking, oversteekbaarheid) en verkeersonveiligheid;
- het bedrijventerrein Harselaar is met het oog op de toekomstige uitbreiding (Harselaar
Zuid) onvoldoende bereikbaar.
Probleem- en doelstelling beleidskader 9
354.10523.02
2.3. Doelstelling studie
Aan de hand van de probleemstelling kan de doelstelling van de voorgenomen activiteit als
volgt worden geformuleerd:
- het verbeteren van de verkeersafwikkeling en daarmee de bereikbaarheid in de kern
Voorthuizen door het realiseren van de omleiding van de N303 bij Voorthuizen;
- het verbeteren van de bereikbaarheid van de recreatiegebieden ten oosten van Voorthuizen
(niet door de kern Voorthuizen heen);
- in het verlengde van bovengenoemde twee punten wordt ook gestreefd naar het optimaliseren
van de verkeersveiligheid en leefbaarheid in Voorthuizen;
- het ontsluiten van de uitbreiding van het bedrijventerrein Harselaar (Harselaar Zuid) richting
A1 en de Wesselseweg (N800);
- het optimaal inpassen van de nieuwe weg met betrekking tot het milieu, de natuur en het
landschap.
Op basis van deze doelstellingen dient in het MER te worden gezocht naar het optimale tracé.
Hiervoor moet in de besluitvorming over dit project een evenwicht worden bereikt tussen verkeersaspecten
(bereikbaarheid en verkeersveiligheid), planologische aspecten (sociaal-economische
en ruimtelijke ontwikkelingen), leefbaarheidaspecten (zoals geluidshinder, luchtverontreiniging
en externe veiligheid) en natuur en landschap.
2.4. Beleidskader
Met betrekking tot het studiegebied zijn een aantal relevante besluiten en beleidsvoornemens
genomen, die van invloed kunnen zijn op de omleiding van de N303. In bijlage 3 wordt uitgebreid
ingegaan op het voor het studiegebied relevante beleidskader. Figuur 2 is hier weergegeven
als samenvatting van het beleidskader. Hierin zijn de belangrijkste functies, waarden en
toekomstige ontwikkelingen die volgen uit het beleidskader weergegeven.
Probleem- en doelstelling beleidskader 10
354.10523.02
blanco pagina
354.10523.02
3. Voorgenomen activiteit en tracéalternatieven 11
3.1. Inleiding
In dit hoofdstuk is ten eerste een korte beschrijving gegeven van de voorgenomen activiteit: de
omleiding van de N303 ter hoogte van Voorthuizen en in relatie hiermee het ontsluiten van Harselaar
Zuid. Vervolgens wordt uitgebreid ingegaan op het vooronderzoek naar onderzochte tracéalternatieven
en de motivering van de te onderzoeken alternatieven in het MER.
3.2. Voorgenomen activiteit
Het project richt zich op het realiseren van twee wegverbindingen die sterk met elkaar samenhangen,
namelijk:
- het realiseren van een nieuwe verbinding tussen de bestaande N303 (tussen Putten en
Voorthuizen) en de rijksweg A1 via een aansluitpunt op de N344;
- het realiseren van een nieuwe verbinding tussen de A1 en de Wesselseweg (N800) ten
behoeve van de ontsluiting van het bedrijventerrein Harselaar Zuid.
Voor beide wegen zijn door de initiatiefnemer de volgende uitgangspunten gesteld, waarbij onderscheid
is gemaakt in structuur van de weg, wegcategorie en aansluitingen op andere infrastructuur.
Structuur/doelstelling
- Een nieuwe wegverbinding tussen de N303 en de rijksweg A1 (ten noorden van Voorthuizen).
- Een nieuwe wegverbinding tussen de A1 en de Wesselseweg (N800) ten behoeve van
Harselaar Zuid.
- De ecologische structuren en natuurmonumenten worden niet aangetast of waar mogelijk
gecompenseerd.
Wegcategorie
- 2x1 provinciale weg met gelijkvloerse kruisingen, ten zuiden van de A1 geldt een gemeentelijk
regime.
- Binnen de bebouwde kom is sprake van een ontwerpsnelheid 50 km/h, buiten de bebouwde
kom is de ontwerpsnelheid 80 km/h.
Aansluitingen op het rijks- en gebiedsontsluitende wegen
- De rijksweg A1.
- De provinciale weg N303 Voorthuizen-Putten.
- De Rijksweg/Apeldoornsestraat (N344).
- De Wesselseweg (N800).
3.3. Uitgangspunten en randvoorwaarden
Uitbreiding bedrijventerrein Harselaar
De gemeente Barneveld heeft het voornemen om het bedrijventerrein Harselaar in zuidelijke en
oostelijke richting uit te breiden (Harselaar Zuid). Vanwege deze ontwikkeling hecht de gemeente
groot belang aan een oostelijke gemeentelijke randweg met een nieuwe aansluiting op de
rijksweg A1. Een oostelijke randweg bij Voorthuizen kan dan naar het zuiden worden doorgetrokken
ten behoeve van de verkeersafwikkeling van het in ontwikkeling zijnde nieuwe bedrijventerrein
Harselaar Zuid.
Voorgenomen activiteit en tracéalternatieven 13
354.10523.02
Zowel de oostelijke randweg als de uitbreiding van Harselaar is opgenomen in de door de gemeenteraad
vastgestelde Structuurvisie Barneveld 2015 (2003). De oostelijke omleiding bij
Voorthuizen is daarbij ten zuiden van de A1 doorgetrokken naar de Wesselseweg (zie bijlage
3).
In het (eindconcept) MER Harselaar Zuid wordt de uitbreiding van het terrein zowel ontsloten
via een verbinding met de Stationsweg/Baron van Nagellstraat en Wesselseweg als met een
nieuwe verbinding met de A1.
Samenhang procedure
Het MER Harselaar Zuid is reeds als eindconcept afgerond. Gezien de onduidelijkheden rond ontsluiting
van het bedrijventerrein heeft de gemeente besloten de verdere procedure van dit MER af te stemmen op
de m.e.r.-procedure voor de omleiding N303 Voorthuizen/ontsluiting Harselaar Zuid.
Randvoorwaarden Rijkswaterstaat
In de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit (beide nota's zijn procedureel nog niet afgerond) geeft
het Rijk aan nieuwe doorsnijdingen door infrastructuur te willen voorkomen. Dit betekent dat het
Rijk niet instemt met een doortrekking van de A30.
Een belangrijk aandachtspunt voor het Rijk is daarnaast in hoeverre een nieuwe aansluiting
Harselaar Oost (met veel vrachtverkeer) op de A1, dicht bij twee andere aansluitingen (A1/A30
en de Baron van Nagellstraat N303), verkeersproblemen oplevert. De A1 moet immers als belangrijke
achterlandverbinding blijven functioneren.
Met het oog op de ontwikkelingen in het plangebied heeft Rijkswaterstaat de volgende (harde)
voorwaarden opgesteld.
Westelijke omleiding (tracéalternatief I)
- De meerkosten als gevolg van een westelijke omleiding Voorthuizen via het knooppunt
A1/A30 (extra viaducten e.d.) komen voor rekening van de initiatiefnemer (provincie, gemeente).
- Er moet minimaal sprake zijn van een gebiedsontsluitende weg (100 km/h buiten de bebouwde
kom), welke aansluit op andere gebiedsontsluitende wegen.
Oostelijke omleiding (tracéalternatief II)
- Bij een nieuwe aansluiting op de A1 (Harselaar Oost) dient de bestaande aansluiting van
de Zelderseweg komen te vervallen.
- De meerkosten bij het vervallen van de bestaande aansluiting (N301/Zelderseweg) komen
voor rekening van de initiatiefnemer (provincie, gemeente).
- Er moet minimaal sprake zijn van een gebiedsontsluitende weg (80 km/h buiten de bebouwde
kom), welke aansluit op andere gebiedsontsluitende wegen.
3.4. Trechtering tracéalternatieven
Voorgeschiedenis
Het aanpakken van de problemen op de N303 en de omgeving daarvan had in eerste instantie
een breder perspectief en was gericht op het realiseren van een verbinding tussen de bestaande
aansluitingen A1 Barneveld en A28 Strand Nulde. In dat kader heeft de provincie eerst
een globale ruimtelijke verkenning laten uitvoeren (IBZH, 2001).
Het nieuwe Provinciale Statenakkoord van april 2003 heeft geleid tot wijziging van de uitgangspunten
van het project. Door beperkte financieringsmogelijkheden valt de optie van een snelweg
af, een gebiedsontsluitende weg is centraal komen te staan. Alleen voor de omleiding van
de N303 ter hoogte van Voorthuizen (en Putten) is geld gereserveerd. Het accent van het project
verschuift daardoor van een doortrekking van de A30 naar een (plaatselijke) omleiding van
de N303. In bijlage 4 is een beschrijving van de voorstudies en verkenningen naar tracéalternatieven
opgenomen.
Voorgenomen activiteit en tracéalternatieven 14
354.10523.02
Mogelijke tracéalternatieven
De mogelijkheden voor verschillende tracéalternatieven worden sterk bepaald door de randvoorwaarden
die worden gesteld door het Rijk en de beschikbare financiële middelen. Voor de
omleiding van de N303 bij Voorthuizen zijn drie tracéalternatieven mogelijk (verwezen wordt
naar figuur 3), waarvan uiteindelijk in het MER twee nader zullen worden onderzocht:
- Tracé I: een tracé ten westen van Voorthuizen. Dit tracé houdt in dat geen nieuwe aansluiting
wordt gemaakt op de A1, maar gebruikgemaakt wordt van de bestaande aansluiting
N303 Baron van Nagellstraat. Het tracé verbindt de Wesselseweg aan de zuidzijde via de
nieuw aan te leggen Randweg Harselaar, waarbij de Baron van Nagellstraat bij Harselaar
net ten noorden van de A1 aftakt als rondweg langs de westkant van Voorthuizen naar de
Rubenstraat. In dit tracéalternatief is tevens een kortsluiting van de Rubenstraat naar de
Apeldoornseweg opgenomen. Voor dit tracé gelden de uitgangspunten met betrekking tot
de wegcategorie zoals aangegeven op pagina 11.
- Tracé II: een tracé ten oosten van Voorthuizen. Dit tracé houdt in dat een nieuwe aansluiting
wordt gemaakt op de A1 ten oosten van Voorthuizen. Het tracé verbindt de Wesselseweg
aan de zuidkant met de Apeldoornsestraat en in het verlengde daarvan de Rubensstraat
aan de noordzijde. Voor dit tracé gelden de uitgangspunten met betrekking tot de
wegcategorie zoals aangegeven op pagina 11.
- Tracé III: een tracé ten westen van Voorhuizen. Dit tracé houdt in dat vanaf de aansluiting
A1/A30 een nieuw verbinding als autoweg (100 km/h) ten noordwesten van de kern Voorthuizen
naar de Rubenstraat/Voorthuizerweg aangelegd wordt.
Tracé I
Het tracé I kan worden aangesloten op de bestaande aansluiting A1/Baron van Nagellstraat,
zodat geen bestaande aansluiting hoeft te worden opgeheven. De verkeersdruk op het zuidelijk
deel van de Baron van Nagellstraat zal toenemen, een nader onderzoek naar de verkeerstechnische
oplossingen moeten in het MER nadrukkelijk aandacht krijgen.
Tracé II
De gemeente Barneveld heeft het voornemen om het bedrijventerrein Harselaar in zuidelijke en
oostelijke richting uit te breiden. Vanwege deze ontwikkeling hecht de gemeente groot belang
aan tracé II, een oostelijke omlegging met een nieuwe aansluiting op de rijksweg A1. Een
oostelijke omlegging bij Voorthuizen kan dan naar het zuiden worden doorgetrokken ten
behoeve van de verkeersafwikkeling van het in ontwikkeling zijnde nieuwe bedrijventerrein
Harselaar Zuid.
Het rijksbeleid is dat een nieuwe aansluiting op een snelweg alleen mag worden gerealiseerd
als een andere aansluiting vervalt. Dit betekent dat de aansluiting van de N301 op de A1 zal
moeten vervallen (de Zelderseweg), en de financiële consequenties voor rekening van de
initiatiefnemer komen, hetgeen een nadeel is.
Dit heeft gevolgen voor de bereikbaarheid van de gemeente Nijkerk. In het MER dient ook dit
aspect te worden meegenomen
Tracé III
Tracé III gaat met een ruime boog om Voorthuizen heen. Nader onderzoek naar dit alternatief
wordt niet realistisch geacht, omdat:
- dit alternatief niet bijdraagt aan de bereikbaarheid van bedrijventerrein Harselaar;
- het tracé III doorsnijdt een relatief groot gebied, met ecologische en landschappelijk
waardevolle elementen;
- de meerkosten, als gevolg van de voorwaarden die het Rijk stelt, voor rekening van de de
initiatiefnemer komen; de meerkosten zijn de extra aanpassingen (extra viaducten e.d.) in
het knooppunt A1/A30 en de aanleg van een autoweg 100 km/h;
- de aansluiting van de N301 (de Zelderseweg) ook komt te vervallen, dit heeft eveneens
gevolgen voor de bereikbaarheid van Nijkerk; de financiële consequenties van het
opheffen van de aansluiting N301 komen voor rekening van de initiatiefnemer.
Gelet op bovenstaande wordt in de Startnotitie voorgesteld om de tracé-alternatieven I en II in
het MER te onderzoeken en het tracé-alternatief III niet nader te onderzoeken. Mochten de
genoemde voorwaarden voor trechtering vervallen of wijzigen, dan zal tracé III alsnog in het
MER worden meegenomen.
Voorgenomen activiteit en tracéalternatieven 15
354.10523.02
3.5. Te onderzoeken tracéalternatieven
In een MER dienen minimaal de volgende alternatieven te worden beschreven:
het
nulalternatief (referentiesituatie);
tracéalternatieven
(tracéalternatief I en II);
inrichtingsvarianten;
het
meest milieuvriendelijke alternatief (MMA).
Alternatieven en varianten
In deze startnotitie worden diverse alternatieven onderscheiden. Hiermee worden combinaties van infrastructurele
maatregelen bedoeld, waarmee de doelstelling van dit project kan worden gerealiseerd. Het
betreffen het nulplusalternatief, tracéalternatieven en het meest milieuvriendelijke alternatief. De tracéalternatieven
en -varianten moeten worden beschouwd als structuurlijnen, die mogelijke tracés aangeven
voor de omleiding van de N303.
Binnen een tracéalternatief kunnen inrichtingsvarianten worden onderscheiden. Dit zijn op onderdelen
kleine wijzigingen van een tracéalternatief. Te denken valt aan aard en locatie van aansluitingen, hoogteligging
of juist ingraving van een tracé(deel), etc. Deze worden in het MER alleen onderzocht indien ze leiden
tot onderscheidende milieueffecten.
Nulalternatief
In een nulalternatief wordt beschreven wat er in het studiegebied zal gebeuren als de voorgenomen
activiteit niet wordt uitgevoerd en geen aanpassingen in het bestaande wegennet worden
aangebracht.
Het nulalternatief - dus het niet doorgaan van de voorgenomen activiteit (het omleggen van de
N303) - is naar verwachting echter geen middel om het gestelde doel te bereiken. In m.e.r.-
termen betekent dit dat het geen "reëel in beschouwing te nemen" alternatief is. De beschrijvingen
van de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen zullen in het MER echter de functie
van het referentiekader vervullen, waartegen de effecten die samenhangen met de andere alternatieven
en varianten worden afgezet.
Nulplusalternatief
In een nulplusalternatief wordt beschreven wat er in het studiegebied zal gebeuren als de voorgenomen
activiteit niet wordt uitgevoerd maar aanpassingen in de bestaande wegenstructuur worden aangebracht
om de beschreven verkeersproblemen op te lossen.
Het nulplusalternatief dient in ieder geval zoveel mogelijk gebruik te maken van de bestaande infrastructuur
en een regionale verbinding te vormen. Een nulplusalternatief is in dit project niet voorhanden, aangezien
een dergelijk alternatief door de kern van Voorthuizen zal lopen. Hierdoor wordt niet aan de doelstelling
van het project voldaan, namelijk verbeteren van de leefbaarheid in de kern.
Tracéalternatieven
Ter hoogte van Voorthuizen zijn meerdere tracéalternatieven mogelijk, namelijk ten westen of
ten oosten van de woonkern. De volgende tracéalternatieven worden als meest realistisch beschouwd
en meegenomen in het vervolgonderzoek (zie ook figuur 3):
- Tracéalternatief I: dit tracé loopt van de N303/Rubenstraat direct ten westen van de kern
Voorthuizen tot de Rijksweg. Vervolgens loopt het tracé ten westen van de Verbindingsweg
naar de bestaande Baron van Nagellstraat en de bestaande aansluiting op de A1.
Ten zuiden van de A1 zal Harselaar Zuid worden ontsloten door een nieuwe weg die in
eerste instantie via de Baron van Nagellstraat en de Stationsweg loopt. Ter hoogte van
Harselaar Zuid wordt het tracé in oostelijke richting doorgetrokken en buigt vervolgens af in
zuidelijke richting naar de Wesselseweg.
In dit tracé is daarnaast ook een kortsluiting van de Rubenstraat met de Apeldoornsestraat
opgenomen. Op dit tracéalternatief zijn de voorwaarden van Rijkswaterstaat niet van toepassing.
- Tracéalternatief II: uitgangspunt bij het oostelijk tracéalternatief is een nieuwe aansluiting
op de A1 (Harselaar Oost). Het tracé van dit alternatief begint bij de Rubensstraat en buigt
direct rond de kern van Voorthuizen af naar de Apeldoornsestraat. Vervolgens loopt het
tracé in zuidelijke richting, ten oosten van het recreatiegebied Zeumeren, naar de A1.
Vanaf de nieuwe aansluiting op de A1 wordt het tracé doorgetrokken in zuidelijke richting,
langs het bedrijventerrein Harselaar Zuid, naar de Wesselseweg.
Voorgenomen activiteit en tracéalternatieven 16
354.10523.02
Bandbreedte tracés
De aangegeven bandbreedte en aansluitpunten van de in figuur 3 weergegeven tracés zijn indicatief van
aard. De bandbreedte is voornamelijk bepaald door de belangrijkste ecologische, landschappelijke en stedenbouwkundige
waarden. In het MER volgt een nadere uitwerking van de tracés.
Inrichtingsvarianten
In het uit te voeren onderzoek in het MER zal tevens onderzocht moeten worden welke verschillende
inrichtingsvarianten mogelijk zijn. Gezocht zal worden naar varianten met een lage
milieubelasting. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de volgende aspecten centraal staan in
de inrichtingsvarianten:
de
aard en vormgeving van de verkeersaansluitingen;
de
ecologische, landschappelijke en landbouwkundige inpassing;
de
wijze van aanleg in relatie tot de omgeving;
maatregelen
ter voorkoming van nadelige effecten op de waterhuishouding.
Op basis van deze aspecten kan worden bepaald welke maatregelen kunnen worden getroffen
om de nadelige effecten voor het milieu zoveel mogelijk te beperken. Inrichtingsvarianten worden
enkel in het MER meegenomen indien ze leiden tot onderscheidende milieueffecten.
Meest milieuvriendelijk alternatief
Op grond van de Wet milieubeheer moet in een MER altijd een zogenaamd meest milieuvriendelijk
alternatief worden beschreven. Dit is het alternatief waarbij de nadelige gevolgen voor het
milieu worden voorkomen, dan wel zoveel mogelijk worden beperkt met gebruikmaking van de
beste bestaande mogelijkheden ter bescherming van het milieu. In het meest milieuvriendelijke
alternatief wordt onderzocht hoe het tracé vanuit milieuoogpunt zo goed mogelijk kan worden
ingericht en daarmee ook een zo beperkt mogelijke milieuaantasting kan worden bereikt. Mogelijk
zijn er ook maatregelen met een positief effect op het milieu.
Het meest milieuvriendelijk alternatief wordt beschouwd als een samenhangend pakket van
maatregelen en technische concepten waarmee voor het milieu een optimaal resultaat kan
worden bereikt. Als randvoorwaarde geldt dat het om een reëel uitvoerbaar alternatief moet
gaan, dat aan de doelstelling voldoet (probleemoplossend) en binnen de competentie van de
initiatiefnemer ligt.
Bovendien worden voor het gehele tracé maatregelen opgenomen die de effecten voor het milieu
zoveel mogelijk beperken c.q. verbeteren.
354.10523.02
4. Te onderzoeken aspecten 17
4.1. Inleiding
In het MER zal worden onderzocht welke milieugevolgen zullen optreden door een omleiding
van de N303 bij Voorthuizen c.q. ontsluiting van Harselaar Zuid. Het gaat hierbij zowel om negatieve
als positieve gevolgen, waarbij onderscheid zal worden gemaakt in blijvende en tijdelijke
effecten. In het MER zal worden nagegaan in hoeverre negatieve effecten met maatregelen
kunnen worden beperkt en op welke manier positieve gevolgen kunnen worden versterkt.
In het MER zullen de volgende milieuaspecten aan de orde komen:
- verkeer;
- landschap en cultuurhistorie;
- water en bodem;
- ecologie;
- woon- en leefmilieu;
- ruimtelijke ordening en economie.
Vooruitlopend op het MER wordt in deze startnotitie voor genoemde aspecten globaal inzicht
gegeven in de huidige situatie en in de mogelijke milieugevolgen van het tracé voor de omleiding
van de N303 bij Voorthuizen. Op basis van deze bevindingen worden de in het MER te onderzoeken
aspecten expliciet genoemd. In het op te stellen MER zal met name op deze punten
nader onderzoek worden verricht. Een definitieve opsomming van onderwerpen waaraan in het
MER aandacht zal moeten worden besteed, zal worden gegeven in de door het bevoegd gezag
vast te stellen richtlijnen.
De autonome ontwikkelingen1) in het plangebied worden per aspect geschetst en in het MER
als referentiekader voor de beoogde ontwikkeling nader uitgewerkt.
4.2. Verkeer
Algemene verkeersproblematiek
De kernen Voorthuizen en Putten worden doorsneden door oude verbindingswegen: de Voorthuizerstraat/
weg N303, de Rijksweg/Apeldoornsestraat N344, de Nijkerkerstraat/Oude rijksweg
N798. Deze verbindingswegen worden niet alleen gebruikt door het regionale verkeer maar ook
door (sluip)verkeer dat een snellere route zoekt tussen de A1 en de A28. De verkeersintensiteiten
op deze wegen liggen in de huidige situatie (1999/2002) tussen de 9.000 en 14.000 mvt/-
etmaal. Het verkeer veroorzaakt binnen de kernen, maar ook op de wegen daartussen overlast.
Er is sprake van knelpunten met betrekking tot de verkeersafwikkeling, de verkeersveiligheid en
de verkeersleefbaarheid (geluidshinder, oversteekbaarheid, etc.).
Omdat veel autoverkeer ten opzichte van de kernen als doorgaand verkeer is aan te merken,
zijn er omleidingen om deze kernen wenselijk. Dit zal leiden tot een toename van de leefbaarheid
in de kernen en kan bijdragen aan de wens van de gemeenten om de centra van de kernen
meer autoluw te maken.
Onderstaand wordt nader ingegaan op de lokale verkeersproblematiek in Voorthuizen/Barneveld.
Er is gebruikgemaakt van bestaande verkeersonderzoeken. In bijlage 5 wordt nader ingegaan
op de hier beschreven problematiek. Voor het op te stellen milieueffectrapport is een
nieuw, geactualiseerd verkeersmodel opgesteld, zodat een eenduidig beeld wordt verkregen
van de huidige en toekomstige verkeersbelasting van het plangebied.
1) Onder autonome ontwikkelingen worden verstaan de verwachte ontwikkelingen in het gebied indien het voornemen
niet wordt gerealiseerd.
Te onderzoeken aspecten 18
354.10523.02
Voorthuizen/Barneveld
In het gebied tussen Barneveld-Harselaar en Voorthuizen zijn diverse ontwikkelingen voorzien,
waaronder de stedenbouwkundige ontwikkelingen in Barneveld en Voorthuizen en de ontwikkeling
van het bedrijventerrein Harselaar. Naast de algemene autonome mobiliteitstoename, zal
dit naar verwachting leiden tot een aanzienlijke verkeersgroei.
De verkeersdruk concentreert zich op de provinciale verbinding N805 (Stationsweg)-N303 (Baron
van Nagellstraat), de aansluiting op de A1 bij de Harselaar en de doorgaande wegen door
Voorthuizen.
De conclusie is dat de kern Voorthuizen in 2020 een aanzienlijke hoeveelheid extra verkeer te
verwerken zal krijgen (zie ook bijlage 5). De toename van het verkeer heeft direct gevolgen voor
de leefbaarheid in Voorthuizen, waarbij gedacht moet worden aan problemen op het gebied van
verkeersafwikkeling, verkeersveiligheid en woon- en leefmilieu.
Bedrijventerrein Harselaar
Het bedrijventerrein Harselaar zal op termijn in zuidelijk richting worden uitgebreid. In het kader
van de uitbreiding wordt gezocht naar een verbetering van de ontsluiting.
Om de druk op de Baron van Nagellstraat te verminderen, Harselaar Zuid te kunnen ontsluiten
en tevens de bereikbaarheid met het achterland van Barneveld te verbeteren, is een nieuwe
ontsluiting op de A1 ten oosten van het bedrijventerrein gewenst.
Relevant om te noemen is eveneens de ontwikkeling van het transferium Barneveld-noord op
het bedrijventerrein.
Overige relevante ontwikkelingen
Het MER zal zich vooral richten op bovengenoemde problematiek. Daarnaast zijn nog een aantal
andere zaken van belang in relatie tot de problematiek:
- binnen de regio ondervinden ook de kern Nijkerk en Ermelo hinder van doorgaand verkeer
tussen de A1 en de A28 via de N301 respectievelijk N303;
- de intensivering van het recreatiegebied Zeumeren en de daarmee gepaard gaande verkeersdruk
op het wegennet;
- de congestie rond het autosnelwegknooppunt Hoevelaken en de druk daardoor op het wegennet
door het plangebied;
- de ontsluiting van de VINEX-locatie Vathorst;
- de uitbreiding van het bedrijventerrein Lorentz in Harderwijk.
Autonome ontwikkeling
Rijkswaterstaat heeft het doel om na 2013 de aansluiting van de A30 op de A1 om te bouwen
tot knooppunt van snelwegen.
Momenteel wordt door Rijkswaterstaat onderzoek gedaan naar verbreding van de A28 en A1
ter hoogte van het knooppunt Hoevelaken.
Op de A28 zal tussen knooppunt Hoevelaken en de aansluiting Nijkerk een nieuwe aansluiting
komen ter ontsluiting van de nieuwe woonwijk Vathorst en van de Nijkerkse nieuwbouwwijk
Corlaer. Deze aansluiting zal rond 2006 moeten zijn. Op de A1 zijn er naast een studie naar capaciteitsvergroting
geen noemenswaardige ontwikkelingen. Door middel van een Spoedwetprocedure
zullen op de A1 tussen het knooppunt Hoevelaken en Barneveld enkele noodzakelijke
maatregelen worden genomen.
In het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport 2002 (MIT) staan eventuele aanpassingen
aan de A1 pas na 2010 op het programma. Pas na 2013 is er budget voor een ombouw
van de huidige aansluiting A1/A30. Wel staan er in 2004 maatregelen op stapel om de filevormingproblematiek
aan te pakken.
Relevante effecten verkeer en vervoer
De omleiding van de N303 als provinciale weg met gelijkvloerse kruisingen zal tot gevolg hebben
dat het doorgaande verkeer door de kern Voorthuizen zal worden beperkt. De sliert voertuigen
die zich door deze kernen wringen zullen naar verwachting (aanzienlijk) verminderen.
Behalve dat door een afname van de verkeersstromen de interne bereikbaarheid binnen de
kernen verbeterd, is hiermee met name ook de verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid gediend
(oversteekbaarheid en barrièrewerking; lucht- en geluidshinder, etc.).
Te onderzoeken aspecten 19
354.10523.02
De keuze van het tracé heeft ook invloed op de (verbetering van de) bereikbaarheid van het
bedrijventerrein Harselaar. Met name een oostelijke omleiding draagt bij de ontsluiting van het
bedrijventerrein.
Een ander gevolg van dit alternatief is dat daarmee de aansluiting van de Zelderseweg op de
A1 komt te vervallen (zie ook paragraaf 3.3) en de bereikbaarheid van Nijkerk vanuit het zuiden
(A1) onder druk komt te staan.
Een nieuwe verbinding kan wellicht ook tot nieuwe hinder leiden. Bijvoorbeeld doordat bestaande
wegen ter ontsluiting van percelen of bestaande routes worden doorkruist of worden
afgesloten. Gezien de functie van de nieuwe weg zal het aantal aansluitingen zoveel mogelijk
worden beperkt. Hierdoor kan barrièrewerking optreden voor het verkeer met een relatie aan
weerszijden van de weg. Het gaat daarbij om de bereikbaarheid van percelen aan weerszijden
van de weg voor het lokale verkeer, waarbij ook het lokale landbouwverkeer hinder kan ondervinden
van de barrièrewerking. Het betreft echter ook bijvoorbeeld de doorsnijding van fiets- en
wandelroutes binnen het gebied. Verder zal ook sprake zijn van andere hindereffecten zoals
met betrekking tot geluid, luchtkwaliteit en ecologische barrièrewerking. Deze aspecten komen
in andere paragrafen aan de orde.
Te onderzoeken aspecten
In het kader van het MER zullen de effecten van het voornemen worden onderzocht op:
- bereikbaarheid voor alle vervoerswijzen: het gaat daarbij voornamelijk om de kern
Voorthuizen en het bedrijventerrein Harselaar; daarnaast is ook de bereikbaarheid van de
gemeente Nijkerk relevant (via de Zelderseweg/A1);
- congestiekans: het gaat daarbij om de regionale wegen en de kern Voorthuizen;
- verkeersveiligheid: het gaat daarbij om de wijze waarop de verkeersveiligheid in de twee
kernen en op de wegen in het gebied kwalitatief wijzigt;
- barrièrewerking en oversteekbaarheid van wegen: het gaat daarbij zowel om de effecten
binnen als buiten de bebouwde kommen met aandacht voor de doorsnijding van bestaande
structuren en verbindingen;
- noodzakelijke herprofilering van de bestaande wegen: afhankelijk van de tracering van de
N303 zullen de toevoerende wegen naar de N303 mogelijk een (grotere) verkeersfunctie
krijgen; het kan noodzakelijk zijn het wegprofiel hierop aan te passen; hetzelfde geldt mogelijk
voor wegen die een verkeersfunctie verliezen;
- aard en situering aansluiting van kruisende wegen in relatie tot de beïnvloeding van de
verkeersstromen ten einde ongewenste verkeersstromen te voorkomen; het effect van
verkeersreductie in Nijkerk is bijvoorbeeld mede afhankelijk van het al dan niet aansluiten
van de N344 op de N303, maar ook van de mate van doorstroming op de N303 (onder
meer beïnvloed door het al dan niet ongelijkvloers uitvoeren van kruispunten).
Basis voor het milieuonderzoek vormt een onderzoek naar de verkeersintensiteiten.
4.3. Landschap en cultuurhistorie
Huidige situatie landschap
Het landschap van het studiegebied wordt beschouwd op drie niveaus:
- het landschap in wijder verband;
- het landschap binnen het studiegebied;
- het landschap in de directe omgeving van de alternatieven en varianten.
Het landschap in wijder verband
Het landschap van het studiegebied maakt deel uit van de groene buitenrand van de Randstad
Holland. In verstedelijkend Nederland ligt dit gebied in de periferie. Desalniettemin heeft zich
ook in dit gebied een stedelijk landschap gevormd dat tot uitdrukking komt in een netwerk van
grootschalige infrastructuur. Het voornemen betekent een uitbreiding van dit stedelijk netwerk in
het studiegebied.
In de groene buitenrand van de Randstad maakt het studiegebied deel uit van een complex van
landschappen die tezamen de ontstaanswijze van dit deel van Nederland weerspiegelen. Het
complex omvat het diepe spoor van een zeer oude gletsjer, de hooggelegen stuwwal van deze
Te onderzoeken aspecten 20
354.10523.02
gletsjer en de voor deze stuwwal afbuigende rivieren. Het diepe spoor omvat de Gelderse Vallei
en het IJsselmeer, de hoge stuwwal omvat het Gooi, de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe, en
de rivieren die liggen in de Betuwe. Delen van dit complex zijn op nationaal niveau als waardevol
geklasseerd: zo heeft de Veluwe de status van Nationaal Landschap. Voor grote delen van
het studiegebied geldt een beleid van behoud en herstel van de bestaande landschapskwaliteit.
Het landschap binnen het studiegebied
Het landschap in het studiegebied omvat twee complexen:
- het dekzandgebied tegen de stuwwal;
- het kleigebied aan de IJsselmeerkust.
Het dekzandgebied is ontstaan in de laagte van het gletsjerspoor: de Gelderse Vallei. Na terugtrekking
van de gletsjer heeft zich een stuifduinengebied ontwikkeld, dat in lange ruggen tegen
het Veluwemassief is blijven liggen. Ook het kleigebied langs de IJsselmeerkust is ontstaan in
de diepe delen van het gletsjerspoor, maar veel later, toen onder de invloed van de binnendringende
Zuiderzee het dekzandgebied werd geërodeerd en bedolven onder maritieme afzettingen.
Het dekzandlandschap is in fasen ontgonnen, waarbij de hoogteligging, vruchtbaarheid en de
aanwezigheid van water een belangrijke rol speelde. De ontginning leidde tot het kleinschalige
kampenlandschap van verspreide vestigingen en met hout omzoomde akkers, temidden van
uitgestrekte heidevelden. Dit landschap is tot op de huidige dag duidelijk te herkennen, zij het
dat de visueel open heiden op veel plaatsen met bos begroeid zijn geraakt en visueel sterk verdicht
zijn. Het kleigebied langs de IJsselmeerkust is als grasland in gebruikgenomen en heeft
tot de huidige dag zijn karakteristieke openheid behouden.
Tevens wordt het gebied ook gekenmerkt door de overgang van Veluwe naar de Gelderse Vallei
en naar de Randmeren. Hier zijn verschillende landgoederen aanwezig die tezamen een
ecologische verbindingszone vormen richting Gelderse Vallei.
Het landschap in de directe omgeving van de alternatieven en varianten
Het mogelijke tracé doorsnijdt een aantal typische ontginningslandschappen, die in het bovengenoemde
complex ontstaan zijn. Tussen Voorthuizen en Putten doorsnijden de mogelijke tracés
de oude heideontginning Huinen en het Huinerbroek, een voormalig moerassig heidegebied,
dat thans hoofdzakelijk als weidegebied wordt gebruikt. In de huidige situatie zijn de verschillen
tussen de oude en jonge heideontginningen in dit deel van het studiegebied weinig herkenbaar.
Ten westen van Putten doorsnijden de mogelijke tracés het kleinschalige overgangsgebied
tussen de dekzanden en de zeeklei.
In grote delen van dit gebied geldt een beleidsmatige strategie van landschapsbehoud en landschapsvernieuwing,
waarmee beoogd wordt de nivellering van de van oudsher duidelijk verschillende
en karakteristieke landschapsbeelden binnen het studiegebied tegen te gaan.
Autonome ontwikkeling landschap
Een deel van het studiegebied is aangewezen als strategisch actiegebied, als gevolg waarvan
extra aandacht zal worden geschonken aan gebundelde inzet van beleidsmiddelen. Hoewel
deze strategie vooral natuur op het oog heeft, kan als gevolg van de bundeling verwacht worden
dat ook landschapsbehoud en -vernieuwing in de aandacht komen. Met betrekking tot de
autonome ontwikkeling kan daarom verwacht worden dat specifieke landschappelijke kwaliteiten
zullen blijven bestaan.
Relevante effecten landschap
Milieueffecten op het aspect landschap kunnen ontstaan als gevolg van doorsnijding door
nieuwe infrastructuur. De fysieke aanwezigheid van het weglichaam heeft invloed op de herkenbaarheid
en samenhang in landschapsstructuren op regionaal en lokaal schaalniveau. Met
herkenbaarheid wordt bedoeld: de mate waarin het landschap geordende en waarneembare
informatie bevat met betrekking tot ontstaansgeschiedenis, gebruik en inrichting.
Nieuwe wegdelen zullen delen van het studiegebied doorsnijden die door het Rijk en de provincie
als waardevol in het beleid zijn vastgelegd. Het weglichaam en de aanwezigheid van kunstwerken,
geluidsbeperkende voorzieningen en eventuele gronddepots zullen een visuele invloed
in het landschap betekenen.
Te onderzoeken aspecten 21
354.10523.02
Te onderzoeken aspecten landschap
Om beter te kunnen inschatten met welke autonome ontwikkelingen rekening moet worden gehouden,
dient nader onderzocht te worden wat de structuur van de landbouw is in het perspectief
van het langjarige landbouwbeleid en de doelstellingen van de provinciale strategieën.
In het kader van het MER dient nader onderzocht te worden wat de effecten zijn van het voornemen
op de beelddragers van het landschap. Deze omvatten:
- het bebouwingspatroon;
- het patroon van wegen en waterlopen;
- het verkavelingspatroon;
- het beplantingspatroon;
- landschappelijke gaafheid van de landgoederen.
Tezamen geven deze patronen een beeld van de verschillende wijzen waarop het gedifferentieerde
grondpatroon heeft geleid tot verschillen in ontginning en landschapsvorming.
Cultuurhistorie en archeologie
Zowel het studiegebied zelf als artefacten daarin zijn materiële getuigen van cultuurperioden in
de geschiedenis van het Nederlandse landschap en van specifiek aan die cultuurperioden verbonden
gebruik van het landschap. De aspecten cultuurhistorie en archeologie worden echter in
deze startnotitie onderscheiden ten opzichte van het aspect landschap, in die zin dat herkenbaarheid
en "geheugen" (die de herkenbaarheid van het landschap) onderscheiden worden van
vastgestelde waarderingen ten aanzien van cultuurhistorie en archeologie.
De milieuaspecten cultuurhistorie en archeologie worden daarmee verbonden met objecten. Het
onderscheid is relevant omdat het landschap verbonden is met visuele en verwijzende kenmerken.
Op deze wijze wordt voorkomen dat dezelfde kenmerken in de beoordeling dubbel voorkomen.
In het studiegebied zijn cultuurhistorische waarden aanwezig in de vorm van:
- landgoederen;
- gebouwde monumenten;
- Belvedèregebieden;
- archeologisch waardevolle gebieden.
Met name in het gebied tussen de A1 en de A28 liggen een aantal landgoederen. Relevant om
te noemen zijn de landgoederen Gerven, De Prinsenkamp, Meerveld, Appel (Zuid en Noord),
Schaffelaar, Hell, Overhorst en het Wilbrinkbos.
Landgoederen
Landgoederen zijn een geheel of gedeeltelijk met bossen, natuurterreinen, landbouwgronden en landschapselementen
bezette onroerende zaak, waarop veelal een buitenplaats of andere bij het karakter van
het landgoed passende opstallen voorkomen.
De provincie streeft ernaar landgoederen als een economische eenheid in stand te houden. Dit betekent
dat op landgoederen voldoende mogelijkheden voor het handhaven van een duurzame landbouw en multifunctionele
bosbouw aanwezig moet blijven. Landgoederen zijn beschermd tegen ingrepen en functiewijzigingen
die de instandhouding onomkeerbaar maken. Aantasting van karakteristieke elementen dient te
worden voorkomen.
In het kader van deze startnotitie is nog niet onderzocht in welke mate gebouwde monumenten
op de tracés aanwezig zijn.
In het gebundelde rijksbeleid ten aanzien van cultuurhistorie (Belvedère) zijn in het studiegebied
twee Belvedèregebieden aangewezen, te weten "Nijkerk-Arkemheen" en "Speuld-Garderen".
Het gehele studiegebied is aangewezen als gebied met archeologische basiswaarden. Het gebied
langs de N303 tussen Voorthuizen en Putten richting Veluwe is aangewezen als gebied
met hoge archeologische basiswaarden. Mede als gevolg van het Verdrag van Malta (1992) zal
intensieve aandacht uitgaan naar de instandhouding en bescherming van archeologisch erfgoed.
Volgens het streekplan is het uitgangspunt het behoud/conservering van dit archeologisch
erfgoed in de bodem ter plekke. Waar mogelijk dient de planvorming voor gebieden met
archeologische waarden zodanig plaats te vinden dat ongestoorde handhaving wordt verzekerd.
Wanneer dit uiteindelijk niet mogelijk blijkt, wordt (veelal) overgegaan tot opgraving.
Te onderzoeken aspecten 22
354.10523.02
Relevante milieueffecten cultuurhistorie
Milieueffecten op de aspecten cultuurhistorie en archeologie ontstaan als gevolg van fysieke
aantasting door de tracévarianten, zoals doorsnijding van landgoederen, sloop van monumenten
en weggraven van het bodemarchief.
Te onderzoeken aspecten cultuurhistorie
In het kader van het MER dient nader onderzocht te worden welke de fysieke effecten zijn van
het voornemen op de cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle objecten in het studiegebied.
Deze omvatten:
- de landgoederen (terreinbegrenzing, inrichtingsstructuur);
- de gebouwde monumenten (op de te onderzoeken tracés);
- de Belvedèregebieden (waardevolle gebiedsdelen op de tracés);
- de archeologisch waardevolle gebieden op de tracés.
4.4. Bodem en water
Huidige situatie bodem
Het studiegebied ligt op de overgang van de stuwwal bij Garderen naar de randmeren Eemmeer/
Nuldernauw. Als gevolg daarvan beslaat het grootste deel van het studiegebied een dekzandlandschap.
In het dekzandlandschap komen overwegend natte gronden voor (beek-, gooren
broekeerdgronden, afgewisseld met enkeerdgronden en in mindere mate met veld- en
moerpodzolgronden).
In het studiegebied komen een aantal geomorfologisch en aardkundig waardevolle gebieden
voor (zie figuur 2). Het betreft:
- de Appelse en Kruishaarse Heide: één van de laatste vennengebiedjes in de Gelderse
Vallei en daarom geomorfologisch waardevol;
- het gebied Gerven ten noorden van de Appelse Heide heeft een aantal opvallende dekzandruggen
en is morfologisch waardevol; in het gebied Terschuur ten noorden van de
huidige aansluiting A30/A1, vormen nog tamelijk gave en representatieve dal-dekzandruggen
en geomorfologisch waardevolle elementen.
Huidige situatie water
Het studiegebied valt binnen twee verschillende afwateringsgebieden.
Het noordelijk deel, het gebied ten oosten van de Schuitenbeek (beheersgebied Waterschap de
Veluwe) watert onder vrij verval via een stelsel van beken in westelijke richting af naar de zuidnoordgeoriënteerde
Schuitenbeek. De Schuitenbeek mondt uit in het Nuldernauw.
Het zuidelijk deel valt van het gebied (beheersgebied van Waterschap Vallei & Eem) water via
een stelsel van beken (bovenlopen) in westelijke richting af naar de Hoevenlaakse beek.
Het gebied wordt grotendeels gekarakteriseerd als intermediair gebied. Dat wil zeggen dat kwel
en infiltratie (in beperkte mate) elkaar afwisselen al naar gelang het seizoen en de klimatologische
omstandigheden. In de benedenstroomse delen van de beken ten oosten van de Schuitenbeek
en Veldbeek treedt kwel op. Het studiegebied valt voor een groot deel in dit hydrologisch
beïnvloedingsgebied. Dit betekent dat het onder invloed staat van grondwater afkomstig
van de stuwwal bij Garderen. Op de stuwwal geïnfiltreerd regenwater komt in het studiegebied
weer aan de oppervlakte. Door de bodempassage die het water heeft ondergaan, gaat het hierbij
om water van een zeer goede kwaliteit.
De aanwezige natuur is grotendeels afhankelijk van beschikbaarheid van voldoende water met
voldoende kwaliteit. De aanwezige natuur wordt gekenmerkt als (matig) verdroogd. Dat betekent
dat er onvoldoende (grond)water beschikbaar is voor natuur en/of dat door de noodzakelijke
aanvoer van water de waterkwaliteit niet voldoet.
Ondanks dat heeft een behoorlijk deel van de beken (met name ten oosten van de Schuitenbeek)
een hoge ecologische waterkwaliteit.
Te onderzoeken aspecten 23
354.10523.02
Autonome ontwikkeling
Ten aanzien van de geomorfologische en aardkundige waarden is het beleid erop gericht dat
ontwikkeling en uitbreiding van activiteiten die leiden tot verontreiniging, aantasting of uitputting
van de bodem of aantasting van de geomorfologie zoveel mogelijk moet worden voorkomen.
De voor water relevante ontwikkelingen houden in belangrijke mate verband met het versterken
van de natuurwaarden. Het gaat hierbij om beekherstel en verdrogingsbestrijding. In dit kader
wordt een meer natuurlijk peilbeheer nagestreefd waarbij de Waterbeheer 21e eeuwprincipes
zoals vasthouden, bergen en pas in laatste instantie afvoeren van water zoveel mogelijk worden
toegepast.
Watertoets
Op basis van de startovereenkomst waterbeheer 21e eeuw (op 14 februari 2001 getekend door Rijk, VNG,
IPO en de Unie van waterschappen) dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de watertoets te worden
doorlopen. De watertoets verschaft inzicht in de consequenties van een ruimtelijk voornemen voor de waterhuishouding
en de wijze waarop eventuele negatieve effecten kunnen worden gecompenseerd/gemitigeerd.
Daarnaast worden de mogelijkheden verkend op welke wijze aanvullende maatregelen kunnen
worden genomen om invulling te geven aan duurzaam waterbeheer.
Overleg tussen de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerders vormt een integraal onderdeel
van de Watertoets. Waterschap Vallei & Eem is vertegenwoordigd in de werkgroep voor het project
"omleiding N303". Daarnaast heeft reeds een overleg plaatsgevonden tussen initiatiefnemer, gemeenten
en beide waterbeheerders. De Waterschappen Veluwe en Vallei en Eem zullen hun adviezen
over de twee startnotities Voorthuizen en Putten op elkaar afstemmen.
Relevante effecten bodem en water
De verschillende alternatieven zullen mogelijk een aantal gevolgen met zich meebrengen. De
criteria voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit hebben mogelijk betrekking op:
- de doorsnijding van geomorfologisch en bodemkundig waardevolle gebieden: het beleid is
gericht op het zo min mogelijk beïnvloeden/aantasten van deze gebieden;
- de doorsnijding van beeksystemen: het beleid is gericht op beekherstel (hermeandering,
natuurontwikkelingen, waterretentie) doorsnijding van beeksystemen is veelal strijdig met
beekherstel;
- de beïnvloeding van het grondwatersysteem: het grondwatersysteem is in belangrijke mate
bepalend voor de natuurwaarden in het studiegebied waarin op dit moment reeds verdroging
optreedt; nieuwe infrastructuur moet de grondwaterstroming (kwalitatief en kwantitatief)
zo min mogelijk aantasten en wanneer mogelijk een bijdrage leveren aan de verdrogingsbestrijding;
- de beïnvloeding van waterkwaliteit: door de bijzondere aanwezige geohydrologie zijn in het
gebied veel beeksystemen en oppervlaktewater met een hoog (het hoogste) ecologisch niveau;
nieuwe infrastructuur mag niet leiden tot een verslechtering van de waterkwaliteit.
Te onderzoeken aspecten
In het kader van het MER zullen de effecten van het voornemen worden onderzocht op:
- het geohydrologisch systeem: er moet meer inzicht zijn in het aanwezige geohydrologisch
systeem; op basis daarvan kan een inschatting worden gegeven van de effecten van (verdiepte)
wegaanleg op grondwaterstroming en verdroging;
- effecten op de oppervlaktewaterkwaliteit (run off en verwaaiing);
- de verandering in de oppervlaktewaterafvoer;
- de gebiedsspecifieke mogelijkheden voor het zuiveren van afstromend regenwater.
Te onderzoeken aspecten 24
354.10523.02
4.5. Ecologie
Huidige situatie
Het plangebied is opgebouwd uit waardevol agrarisch gebied en gebieden met natuurwaarden.
In het gebied ten noorden en ten westen van Voorthuizen is sprake van een landgoederenzone
met kleinschalige landbouw en bossen. Zuidelijk daarvan betreft voornamelijk open landbouwgebied.
Regionale ecologische structuur
Het studiegebied grenst aan de oostzijde aan de Veluwe, welke als speciale beschermingszone
is opgenomen in zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn. Aangrenzend aan het studiegebied
bevind zich ten westen van de A28 de open laaggelegen polders van Arkemheen, welke
een speciale beschermingzone vormen uit de Vogelrichtlijn. Beide gebieden worden met elkaar
verbonden door een keten van landgoederen en heideterreinen, die alle als kerngebied zijn opgenomen
in de Ecologische Hoofdstructuur. Tot deze terreinen behoren onder andere het landgoed
Oldenaller en de Appelse Heide.
Het middelste deel van het studiegebied maakt onderdeel uit van een robuuste ecologische verbindingszone,
tracé Noord, tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Deze verbinding is
door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voorzien van het hoogst mogelijke
ambitieniveau: realisatie van een verbindingszone waarbij behoud van biodiversiteit op regionaal
en nationaal niveau en bij onvoorziene risico's wordt nagestreefd. Tevens wordt het edelhert
als doelsoort voor deze zone gebruikt wat aanvullende eisen voor de inrichting met zich
meebrengt. Een onderdeel van deze verbindingszone wordt gevormd door de ecologische verbindingszone
tussen de Appelse Heide en het Huinerveld (Veluwe), zoals beschreven in het
Gebiedsplan natuur en landschap Gelderse Vallei.
Ten zuiden van de A1 is een ecologische verbindingszone voorzien ter plekke van de Esvelderbeek,
welke in oost-westrichting loopt. De verbindingszone is tevens verbonden met het landgoed
Schaffelaar. Zowel de verbindingszone als het landgoed maakt eveneens deel uit van de
EHS.
Plangebied
Het studiegebied bezit een grote diversiteit aan dier- en plantensoorten. Diverse ecologische
atlassen en het Natuurloket (www.natuurloket.nl) onderschrijven dit. Op deze website van het
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit wordt aangegeven hoeveel soorten
(internationaal) te beschermen dier- en plantensoorten op kilometerhokniveau aanwezig is. Met
betrekking tot het studiegebied betekent dit dat de volgende te beschermen groepen aanwezig
zijn:
- (broed)vogels;
- zoogdieren;
- insecten (onder andere libellen en vlinders);
- reptielen;
- amfibieën;
- planten.
Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat een aantal van deze dier- en plantensoorten
als strikt te beschermen soorten staan vermeld in Bijlage lV van de Habitatrichtlijn, zoals bijvoorbeeld
alle in het plangebied voorkomende soorten vleermuizen.
Het ontwerp Gebiedsplan natuur en landschap Gelderse Vallei geeft aan welke natuurdoelen
worden beoogd in het studiegebied. Daarnaast vormt nagenoeg het gehele plangebied een
aandachtsgebied voor das en amfibie.
Relevante effecten ecologie
Zowel de tijdelijke als de permanente ecologische effecten van de verschillende alternatieven
worden kwalitatief beschreven. Daarbij zal onderscheid worden gemaakt in effecten als gevolg
van de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van de weg. De beschreven effecten zullen per
variant worden vergeleken met de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen.
De criteria voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit hebben mogelijk betrekking op:
- de vernietiging van leefgebieden van te beschermen diersoorten door fysieke aantasting
en hydrologische effecten (onder andere verdwijnen houtwallen, aantasting landgoederen);
Te onderzoeken aspecten 25
354.10523.02
- de verstoring als gevolg van verandering van de milieukwaliteit (geluid, verlichting,
verkeersbeweging), zowel in het plangebied zelf als daarbuiten (externe effecten op speciale
beschermingszones);
- de aantasting van ruimtelijke ecologische samenhang (versnippering);
- de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden (in samenhang met vergroting waterbergend
vermogen).
De gevolgen van de verschillende alternatieven zullen vooral betrekking hebben op natuurwaarden
in de bestaande natuurgebieden, beheersgebieden, natuurontwikkelingsgebieden en
de robuuste ecologische verbindingszone. Daarnaast dienen de gevolgen van de alternatieven
op beide speciale beschermingszones inzichtelijk te worden gemaakt.
Te onderzoeken aspecten
Samengevat worden in het MER de effecten van de verschillende alternatieven onderzocht op:
- alle aanwezige diersoorten en hun leefgebied (habitat) binnen het studiegebied die bescherming
genieten onder de Flora- en faunawet (de soortsbescherming uit de Vogelrichtlijn
en de Habitatrichtlijn zijn in deze wet geïmplementeerd), waaronder broedvogels,
zoogdieren, amfibieën, reptielen en insecten;
- vegetatiekundige en/of ecologische waardevolle delen van het plangebied en daarbuiten;
- in en om het plangebied aanwezige natuurgebieden, de speciale beschermingszones uit
de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en overige gebieden met een beleidsmatige status;
- toename van het oppervlak gehinderd gebied;
- de robuuste ecologische verbindingszone;
- mitigerende en compenserende maatregelen.
Indien blijkt dat de beschikbare informatie niet toereikend is om een duidelijk beeld te krijgen
van de hier aanwezige natuurwaarden zal aanvullend veldonderzoek noodzakelijk zijn.
4.6. Woon- en leefmilieu
De aandacht bij het aspect woon- en leefmilieu gaat primair uit naar de beleving van de omgeving
door bewoners en gebruikers van het gebied. Hierbij zijn met name de bestaande woningen
van belang.
Voor het aspect woon- en leefmilieu wordt met name ingegaan op aspecten die hinder veroorzaken
voor de woonomgeving. Op basis van de aard van het voornemen en het karakter van
het gebied is het vooral relevant om te kijken naar wegverkeerslawaai, luchtkwaliteit en externe
veiligheid ten opzichte van (bestaande) woningen.
4.6.1. Wegverkeerslawaai
Huidige situatie en autonome ontwikkeling
Zoals eerder in dit rapport is geconstateerd zal de komende jaren de verkeersintensiteit op de
wegen in het gebied toenemen. Als gevolg hiervan zal de hinder in de vorm van wegverkeerslawaai
ook toenemen. Met andere woorden, de situatie zal verergeren.
Relevante effecten wegverkeerslawaai
Nieuwe hinder zal worden ondervonden doordat er een nieuwe geluidsbron ontstaat. Weliswaar
neemt dergelijke hinder voor de bestaande hindergevoelige bestemmingen af bij afname van de
verkeersintensiteit op het huidige traject, maar er zullen mogelijk langs het nieuwe tracé ook
nieuwe hindersituaties bijkomen.
Te onderzoeken aspecten
In het MER zullen de effecten van het voornemen worden onderzocht op:
- toe- of afname van het aantal geluidsgehinderden;
- toetsing aan normen van externe veiligheid.
Te onderzoeken aspecten 26
354.10523.02
4.6.2. Luchtkwaliteit
Huidige situatie en autonome ontwikkeling
In de huidige situatie loopt de N303 door de kernen van Voorthuizen en Putten. Hoge verkeersintensiteiten
hebben invloed op de lokale luchtkwaliteit en daarmee mogelijk op de leefkwaliteit.
Dit kan ook van betekenis zijn voor de wegen waar sprake is van sluipverkeer. Het is
thans niet bekend of er ook daadwerkelijk overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen plaatsvindt.
Aangezien de komende jaren de verkeersintensiteiten naar verwachting op de betreffende
wegen zullen toenemen, zal als gevolg hiervan ook de luchtkwaliteit afnemen.
Relevante effecten luchtkwaliteit
De omleiding van de N303 moet enerzijds leiden tot minder verkeer in de kernen en daarmee
een verbetering van de luchtkwaliteit in de kernen. Anderzijds leidt de aanleg van nieuwe infrastructuur
mogelijk tot nieuwe hindersituaties.
Te onderzoeken aspecten
In het MER zullen de effecten van het voornemen worden onderzocht op:
- toe- of afname van het aantal gehinderden voor luchtkwaliteit;
- toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen zoals genoemd in het Besluit luchtkwaliteit.
4.6.3. Externe veiligheid
Huidige situatie en autonome ontwikkeling
In het huidige gebied van de wegenstructuur is het aandeel vrachtverkeer relatief groot. Naar
alle waarschijnlijkheid vindt er ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de bestaande
wegenstructuur, met name over de N303. Dit leidt tot bepaalde risico's ten opzichte van gevoelige
functies als woningen. Het is niet bekend of langs de betreffende wegen sprake is van
overschrijding van de veiligheidsnormen. De toename van verkeer in de toekomst leidt mogelijk
ook tot een verhoging van de risico's.
Relevante effecten externe veiligheid
Vanwege de doorgaande verbinding die de N303 krijgt, is het de verwachting dat het bestaande
vervoer van gevaarlijke stoffen zich naar deze weg verplaatst. Dit leidt mogelijk tot afname van
de risico's in de bestaande kernen, echter een toename bij de woongebieden nabij de nieuwe
N303.
Te onderzoeken aspecten
In het MER zullen de effecten van het voornemen worden onderzocht op:
- toe- of afname van de risico's voor externe veiligheid in bestaand woongebied;
- toetsing aan normen van externe veiligheid.
4.7. Ruimtelijke ordening en economie
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
In de huidige en met name de toekomstige situatie zullen er nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
plaatsvinden in het studiegebied. Zo zijn er nieuwe woon- en werkgebieden voorzien en zullen
ook recreatieve en natuurlijke functies worden ontwikkeld of versterkt. Relevant in dat kader is
ook het reconstructieplan voor dit gebied en zullen de gevolgen voor het functioneren van de
landbouw in beeld moeten worden gebracht.
Relevante effecten ruimtelijke ordening en economie
De omleiding van de N303 kan gevolgen hebben voor de hiervoor geschetste ontwikkelingen.
Een nieuw tracé dient rekening te houden met de ligging van nieuw geplande woon- of werkgebieden.
Daarnaast kan doorsnijding van landbouwgebieden door nieuwe infrastructuur gevolgen
hebben voor met name de landbouwfuncties in het gebied en voor de recreatie. Voor bedrijventerreinen
(en deels ook voor woongebieden) heeft het een mogelijk positief effect indien
deze gebieden door de nieuwe infrastructuur beter worden ontsloten.
Te onderzoeken aspecten 27
354.10523.02
Te onderzoeken aspecten
In het MER zullen de effecten van het voornemen worden onderzocht op:
- de ruimtelijke mogelijkheden voor nieuwe woon- en werklocaties;
- toetsing op (eventuele) kwantitatieve effecten op ruimte voor nieuwe woon- en werklocaties;
- de effecten op recreatie, toegespitst op de doorgaande wegen; zowel de kwaliteit van verbindingen
als eventuele afsluiting ervan zijn factoren die van invloed zijn op de recreatie;
- de effecten op landbouw, toegespitst op ruimtebeslag, barrièrewerking, versnippering en
gevolgen voor de bedrijfsvoering;
- de gevolgen van het ombouwen aansluiting A30/A1 tot een knooppunt (na 2013);
- effecten op overige relevante economische activiteiten.
Te onderzoeken aspecten 28
354.10523.02
Blanco pagina
354.10523.02
5. Procedure en tijdsplanning 29
Het MER dient ter onderbouwing van een herziening van het streekplan. In de m.e.r.-procedure
worden de volgende fasen onderscheiden.
Belangrijke partijen in de m.e.r.-procedure
- Initiatiefnemer: de initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de startnotitie en het
MER. In dit project is Provinciale Staten initiatiefnemer.
- Bevoegd gezag: het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor vaststelling van de uiteindelijke producten.
In dit geval is Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag.
- Commissie voor de m.e.r.: de commissie voor de m.e.r. is een onafhankelijk adviesorgaan die adviseert
over de inhoud van de richtlijnen en het uiteindelijke Milieueffectrapport.
Startnotitie en richtlijnen
De startnotitie wordt door het bevoegd gezag voor inspraak ter inzage gelegd. Insprekers kunnen
aangeven welke onderwerpen naar hun mening in het MER aan de orde moeten komen.
Voor de inspraak wordt één informatiebijeenkomst georganiseerd.
Tegelijkertijd wordt de startnotitie toegezonden aan de wettelijke adviseurs, te weten de Commissie
voor de m.e.r., de Inspecteur Milieuhygiëne en de Regionale directie van het Ministerie
van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. Daarnaast zal de startnotitie tevens worden
toegezonden aan het ROB (Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek) en de waterbeheerders
(dit laatste in het kader van de watertoets). De Commissie voor de m.e.r. geeft
haar advies in de vorm van conceptrichtlijnen.
Daarna stelt het bevoegd gezag aan de hand van de inspraakreacties en adviezen de (definitieve)
richtlijnen vast. De richtlijnen geven aan welke onderwerpen in het MER moeten worden
behandeld en zijn als het ware "het spoorboekje" voor het MER.
Opstellen MER en partiële herziening Streekplan
Het onderzoek dat in het kader van het MER door de initiatiefnemer wordt uitgevoerd, vindt
plaats aan de hand van de richtlijnen. De initiatiefnemer zal daarbij overleg voeren met zowel
de betrokken gemeenten als met andere betrokken instanties. In dat overleg zullen ook belangenorganisaties
worden betrokken. De resultaten van het onderzoek zullen worden opgenomen
in het MER. Nadat het MER gereed is, wordt het bij het bevoegd gezag ingediend. Mede op
grond van de resultaten van het MER zal de partiële herziening van het streekplan worden
opgesteld. Naar verwachting zal gestart worden met het opstellen van de partiële herziening
wanneer het concept MER beschikbaar is.
Aanvaarding en inspraak
Het bevoegd gezag zal vervolgens beoordelen of het MER voldoet aan de vastgestelde richtlijnen.
Dit mondt uit in de zogenaamde aanvaarding door het bevoegd gezag. Na aanvaarding
van het MER, wordt het MER voor dit project bekendgemaakt en aan inspraak onderworpen.
De wettelijke adviseurs worden om advies gevraagd over het MER.
Toetsingsadvies Commissie voor de milieueffectrapportage
De Commissie voor de milieueffectrapportage zal het MER tenslotte als onafhankelijke partij
toetsen, waarbij adviezen, de richtlijnen en de inspraakreacties worden betrokken. De Commissie
zal toetsen of het MER de essentiële informatie bevat voor een besluit over de omleiding
van de N303.
Verdere procedure
De inspraak voor het MER en de inspraak voor de partiële herziening van het streekplan vindt
gelijktijdig plaats. De partiële herziening van het streekplan wordt eventueel aangepast en als
ontwerp ter visie gelegd. Hiermee vangt de vaststellingsprocedure aan.
In figuur 4 zijn de verschillende procedurestappen opgenomen die nodig zijn bij het opstellen
van het MER en voorontwerpstreekplan en tracévaststelling.
Procedure en tijdsplanning 30
354.10523.02
Figuur 4 Schema m.e.r.-procedure, streekplanherziening en tracévaststelling
IN = initiatiefnemer, BG = Bevoegd gezag
M.e.r. Streekplanherziening
tracévaststelling
Bekendmaking
Startnotitie
IN/BG Anderen
Overleg met gem.besturen
Anderen
Beroep
Opstellen
ontwerp-
Streekplan
Horen PPC
IN/BG
Inspraak/
advies
Opstellen
MER
Advies
richtlijnen
Cmer
Richtlijnen
Bekendmaking
MER Bekendmaking
ontwerp-
Streekplan
Inspraak/
advies
Terinzagelegging
Streekplan
Inspraak
Vaststelling
Streekplan/
Tracévaststelling
Toetsingsadvies
Cmer
Evaluatie
milieugevolgen
4w
9w
13w
(+max
8w
4w
5w
4w
6w
13w
(+max
8w
Vaststellen
MER
Vaststellen
ontwerp-
Streekplan
354.10523.02
Bijlage 1. Samenstelling overleggroepen
B1.1. Samenstelling ambtelijke projectgroep
-
Gemeente Nijkerk
- Gemeente Barneveld
- Gemeente Putten
- Waterschap Vallei en Eem
- Waterschap Veluwe
- Dienst Landelijk Gebied
- Provincie Gelderland
- RBOI-Rotterdam
B1.2. Samenstelling ambtelijke klankbordgroep
-
Provincie Utrecht
- Provincie Flevoland
- Rijkswaterstaat, directie Oost
- Gemeente Zeewolde
- Gemeente Ermelo
- Gemeente Amersfoort
B1.3. Samenstelling maatschappelijke klankbordgroep
-
Ver. Plaatselijke belang Voorthuizen
- Kamer van Koophandel Veluwe & Twente
- Gelderse Milieufederatie
- Dienst Landelijk Gebied
- Buurtvereniging Appel, Driedorp e.o.
- Buurtvereniging Prinsenkamp
- GLTO Gelderland
- Milieuwerkgroep Lunteren/Barneveld
- St. Natuur- en Milieubescherming Putten
- IVN Vereniging Natuur en milieueducatie
- Stichting Het Geldersch Landschap
- VNO-NCW Midden
- MLB-Nederland
- Buurtvereniging Steenenkamer
- Buurtvereniging Huinen
- Stichting Natuur- en Milieuzorg Noord West Veluwe
- Gelders Particulier Grondbezit
- IOP Industriële Kring Putten
- Buurtvereniging Garderbroek
- Buurtvereniging Steenkamp
- Barneveldse Industriële Kring
354.10523.02
Bijlage 2. Programma van Wensen en Eisen 1
B2.1. Inleiding
Naast de randvoorwaarden die binnen de voorgenomen activiteit zijn vastgesteld voor het project
moet het project zoveel mogelijk aansluiten bij de wensen en eisen die leven bij de projectomgeving.
Om deze wensen en eisen te achterhalen, is zowel een maatschappelijke als ambtelijke
klankbordgroep opgesteld. Middels enkele bijeenkomsten wordt leden van deze klankbordgroepen
de mogelijkheid geboden in een vroeg stadium mee te denken over dit project en
in het bijzonder de inhoud van de startnotitie, richtlijnen en daarmee het MER.
De inbreng van wensen en eisen van de leden van de klankbordgroepen is weergegeven in dit
Programma van Wensen en Eisen.
De provincie werkte tot in 2003 nog aan een onderzoek naar de mogelijke doortrekking van de
huidige A30 in een zogenaamde N30x tussen de A1 en de A28.
Met de verkiezing van de nieuwe Provinciale Staten (PS) in maart 2003 is het accent van de
oplossing verschoven. In plaats van een onderzoek naar de doortrekking van de A30/A1 naar
de A28 hebben PS geld beschikbaar gesteld voor plaatselijke omleidingen van de N303 bij
Voorthuizen en Putten. Zie ook bijlage 4.
Bij Voorthuizen staat bijvoorbeeld de aansluiting op de rijksweg A1 centraal. Voor de omleiding
van de provinciale weg bij Voorthuizen doorloopt de provincie Gelderland een aparte m.e.r.-
procedure. De verkeersstudie, een van de belangrijke onderzoeken voor het MER is wel integraal
uitgevoerd. Voor de studie naar de omleiding van de weg bij Putten en bij Voorthuizen
wordt dezelfde verkeersstudie toegepast.
Het programma van Wensen en Eisen is opgesteld in 2002/2003 tijdens de studie naar de
doortrekking van de A30 in een N30x en sluit daardoor soms niet aan op deze startnotitie die
alleen betrekking heeft op de omleiding van de N303 bij Voorthuizen.
B2.2. Ambtelijke klankbordgroep
In de bijeenkomsten van de ambtelijke klankbordgroep zijn onder andere de volgende onderwerpen
aan de orde gekomen:
Bovenregionaal belang
- Nu het doortrekken van de A30 in een N30x in studie wordt gebracht, is het zinvol de aanleg
van deze weg ook in een groter verband te bezien. Relevant in dat kader is bijvoorbeeld
een goede snelwegverbinding tussen Almere/Zuidwest Flevoland en het KAN-gebied.
Dit is met name voordelig voor Provincie Flevoland/gemeente Zeewolde.
- Tracé 1 (studie IBZH) is in dat geval een gunstig tracé; dit aspect eventueel zichtbaar maken
in beoordeling van de verschillende tracés.
- voor de regio is een goede noord-zuidverbinding van belang.
Beleid Rijkswaterstaat
- Het netwerk van snelwegen zal beperkt worden uitgebreid.
- Er wordt terughoudend omgegaan met het realiseren van nieuwe aansluitingen (nee, tenzij
beleid); nieuwe aansluitingen mogen niet bedoeld zijn voor het oplossen van lokale knelpunten.
- Het beschermen van ecologische waarden is van belang.
Verkeersmodel
- Belangrijk in deze studie is het gebruik van het verkeersmodel. Niet elk model is geschikt
om bijvoorbeeld kleinschalige ontwikkelingen in beeld te brengen.
Bijlage 2. Programma van Wensen en Eisen 2
354.10523.02
- Het verkeersmodel dient in ieder geval inzichtelijk te maken hoe verkeersstromen zullen lopen
bij verschillende tracés.
- Eveneens is het wenselijk in het verkeersmodel verkeersbewegingen van de nabijgelegen
gemeentes c.q. provinciale/rijkswegen op te nemen in het model.
- De provincie heeft dit probleem reeds onderkend en stelt een nieuw verkeersmodel op.
Overige onderzoeken
- Voor het bepalen van de toekomstige capaciteit van de A1 wordt momenteel een studie
uitgevoerd (gegevens verkrijgbaar bij Rijkswaterstaat). Afronding van de studie wordt verwacht
in 2004.
- Onderzoek naar nieuwe ontwikkelingen in Amersfoort (Vathorst) in relatie tot ontwikkelingen
A1.
- Studie reconstructie knooppunt Hoevelaken.
- In de nabije omgeving van het plangebied zullen ook een aantal wegen worden gereconstrueerd.
B2.3. Maatschappelijke klankbordgroep
Samengevat is het volgende in de maatschappelijke klankbordgroep aan de orde gekomen:
GLTO
Vrachtverkeer dient te worden geweerd op de N303 Putten-Voorthuizen, zodat vrachtverkeer
wordt gestimuleerd om te rijden over de A1 en A28. Een verbreding van de A1 en A28 is dan
eventueel een aanvullende oplossing.
Gepleit wordt voor zo min mogelijk ruimtebeslag van de weg in verband met intensief agrarisch
gebruik van het gebied. Het aanleggen van de weg en daardoor het gebruiken van landbouwgrond
geeft problemen in onder andere de herverkaveling.
Buurtvereniging Appel, Driedorp en omstreken
Als oplossing van de verkeersproblematiek tussen Voorthuizen en Nijkerk kan de op- en afrit
van de A1/A30 naar de Zelderseweg worden afgesloten. Het verbreden van de A1 en A28 heeft
de voorkeur van de buurtvereniging.
Vereniging Plaatselijk Belang Voorthuizen
Verkeersgroep Voorthuizen heeft een onderzoeksrapport opgesteld over de huidige verkeersproblemen.
De vereniging pleit met name voor een oostelijke omleiding bij Voorthuizen. De vereniging
pleit hoofdzakelijk voor het ondersteunen van een (gemeentelijke) oostelijke omleiding
bij Voorthuizen. De Vereniging geeft aan dat in de huidige situatie de files reeds voor bedrijventerrein
Hasselaar staan. Er wordt aandacht gevraagd voor toekomstig sluipverkeer op de
Nieuw Voorthuizerweg.
De vereniging stelt dat Voorthuizen niet gebaat is bij een westelijke omleiding in verband met
luchtkwaliteit en geluidhinder. Daarnaast worden de uitbreidingsmogelijkheden aan deze kant
van de kern onmogelijk.
Voorgesteld wordt de A1 en A28 te verbreden ter hoogte van het knooppunt Hoevelaken tot
Hoevelaken respectievelijk Putten. In combinatie hiermee dient de N303 tussen Voorthuizen en
Putten onaantrekkelijk te worden gemaakt voor vrachtverkeer en verbeterd te worden op het
gebied van (verkeers)veiligheid.
Landinrichtingscommissie Nijkerk-Putten
De landinrichtingscommissie wenst duidelijkheid over de status van de nieuwe weg, A30 of
N30. Het moet verder duidelijk zijn of er lokale of bovenregionale problemen moeten worden
opgelost.
Buurtvereniging Prinsenkamp
Het aspect verkeersveiligheid dient volgens de buurtvereniging Prinsenkamp te worden
onderzocht. Gestreefd moet worden naar een eenmalige oplossing. Het verbreden van de A1
en A28 heeft daarbij de voorkeur.
Bijlage 2. Programma van Wensen en Eisen 3
354.10523.02
Kamer van Koophandel
Gepleit wordt om de oostelijke omleiding Voorthuizen mee te nemen als autonome ontwikkeling.
Het Alternatief 8 (werkgroep Infrastructuur Harselaar) wordt als voorkeur aangegeven.
Voor een westelijke omleiding bij Voorthuizen wordt conform Alternatief 8 gepleit voor een tracé
langs de Hoevenlakense Beek. Met dit tracé wordt zo min mogelijk agrarische grond doorsneden
en sluit dichtbij de kom van Voorthuizen aan.
Ten aanzien van de omleiding bij Putten wordt voorgesteld het tracé over te nemen zoals is
weergegeven in de Structuurvisie van Putten. Het doortrekken van een omgelegde N303 naar
de A28 (Nulde) wordt van groot belang geacht. Dit ook mede met het oog op het ontlasten van
de kernen Ermelo en Harderwijk en een verbetering van de ontsluiting van bedrijventerrein Keizerswoert
en Benegas.
Stichting Natuur en Milieubescherming Putten
Vanuit natuur- en landschapsoverwegingen is de aanleg van een nieuwe weg volgens de stichting
niet gewenst. Nadere studie is wel gewenst om problematiek voor de verschillende belanghebbenden
inzichtelijk te maken. Geadviseerd wordt een kostenafweging te maken tussen de
nieuwe weg in relatie tot verkeersmaatregelen op lokaal niveau.
De stichting sluit zich aan bij genoemde nulplusalternatieven. Verder pleit de stichting voor het
weren van doorgaand vrachtverkeer op de N303 door bijvoorbeeld convenanten te sluiten met
een aantal bedrijven (onder meer in Harselaar). Een onderzoek naar omrijschade (extra reistijden/
brandstofkosten van de werknemers) bij gebruik van de A1/A28 in plaats van de N303 zou
een eerste aanzet kunnen zijn.
Gelderse Milieufederatie
De Gelderse Milieufederatie pleit voor een nulplusalternatief waarbij het doorgaand verkeer
(dus niet herkomst- of bestemmingsverkeer tussen Voorthuizen en Putten) zoveel mogelijk via
het rijkswegennet A1 en A28 wordt afgewikkeld. In het nulplusalternatief wordt zoveel mogelijk
gebruik gemaakt van het bestaande wegennet en vinden korte omleidingen bij Voorthuizen en
Putten plaats. Bij Voorthuizen pleit de Gelderse Milieufederatie voor een westelijke omleiding,
waarna deze ten noorden van Voorthuizen zo snel mogelijk aansluit op de bestaande N303. De
natuur- en landschapswaarden worden bij een westelijke omleiding minder aangetast dan bij
een oostelijke omleiding. Een korte omleiding betekent ook minder doorsnijding van de 'open
ruimte' ten westen van Voorthuizen. Een nieuwe aansluiting van Harselaar-Oost op de A1 vindt
de milieufederatie ongewenst, omdat dit de westelijke ontsluiting onmogelijk maakt. Het is meer
logisch om het bedrijventerrein ten noorden van de A1 en ten oosten van de westelijke aansluiting
verder te ontwikkelen.
Bij Putten pleit de milieufederatie voor een meer noordelijke omleiding, waarbij de omleiding
wordt geïntegreerd in de uitbreidingsplannen van Putten. Door een integrale aanpak wordt onnodige
versnippering van het buitengebied voorkomen. Een meer noordelijke omleiding betekent
ook dat over een langer traject de bestaande N303 kan worden gevolgd.
Te onderzoeken effecten in het MER zijn volgens de milieufederatie de gevolgen van de barrièrewerking
van een N303 voor het functioneren van de robuuste ecologische verbindingszone
tussen Veluwe en Utrechtse Heuvelrug en de ecologische koppeling van de landgoederen ten
westen van de N303 aan het Centraal Veluws Natuurgebied en het onderzoeken naar de mogelijkheden
om deze barrièrewerking te mitigeren.
Milieuwerkgroep Lunteren/Barneveld
Voor het bedrijventerrein Harselaar (Barneveld) wordt een MER opgesteld; de uiteindelijke ontsluiting
van dit bedrijventerrein is van belang voor onderhavige studie.
De milieuwerkgroep pleit voor een volwaardige aansluiting van het bedrijventerrein op de
A30/A1 (zie studie Witteveen+Bos, Harselaar, tracé 8).
De milieuwerkgroep pleit ook voor een onderzoek naar een verhoogde ligging van de N30x ter
bescherming van de flora en fauna en de aardkundige waarden (in plaats van de voorgestelde
verdieping van dit tracé).
Bijlage 2. Programma van Wensen en Eisen 4
354.10523.02
VNO-NCW Midden
Voor een omleiding bij Putten wordt voorgesteld het tracé over te nemen zoals is weergegeven
in de Structuurvisie van Putten.
Het doortrekken van een omgelegde N303 naar de A28 (Nulde) wordt van groot belang geacht.
Dit ook mede met het oog op het ontlasten van de kernen Ermelo en Harderwijk en een
verbetering van de ontsluiting van bedrijventerrein Keizerswoert.
VNO-NCW Midden streeft ernaar om op termijn de A30 door te trekken richting Nijkerk (aansluiting
op A28 Nijkerk). VNO-NCW pleit er dan ook voor om bij het onderzoeken van tracés in
het MER en het mogelijk maken van het uiteindelijke voorkeursalternatief geen blokkades voor
deze doortrekking op te werpen.
Buurtvereniging Steenenkamer
Het buurtschap wordt aangetast door het sluipverkeer via de Waterweg (vanuit Ermelo) en de
Nijkerkerkerstraat naar de A28 bij Strand Nulde. Dit wordt mede veroorzaakt doordat er bij de
aansluiting Nulde op de A28 geen goede ontsluiting richting Putten en Ermelo aanwezig is. Dit
moet ook worden opgelost.
Bij de huidige alternatieven is een doortrekking van de N303 vanaf de Nijkerkerstraat naar de
A28 niet meer mogelijk. Hierdoor zal naar verwachting de verkeersdruk ter hoogte van Steenenkamer
nog steeds erg groot blijven.
Gelders Particulier Grondbezit
De voorkeur gaat uit naar ondertunneling bij landgoederen, dat goedkoper is dan de aanleg van
wildviaducten.
354.10523.02
Bijlage 3. Beleidskader 1
In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van relevante beleidskaders en besluiten die van
invloed kunnen zijn op de omleiding van de N303. Onderscheid wordt gemaakt in beleid op Europees-,
rijks-, provinciaal/regionaal- en gemeentelijk niveau.
Europees beleid
Verdrag van Malta
Bij nieuwe infrastructuur in gebieden met archeologische waarden, ook buiten landelijke gebieden
A en B, worden deze waarden zoveel mogelijk ontzien en wordt de infrastructuur zorgvuldig
ingepast. Mede als gevolg van het Verdrag van Malta (1992) zal intensieve aandacht uitgaan
naar de instandhouding en bescherming van archeologisch erfgoed. Volgens het streekplan is
het uitgangspunt het behoud/conservering van dit archeologisch erfgoed in de bodem ter
plekke. Waar mogelijk dient de planvorming voor gebieden met archeologische waarden zodanig
plaats te vinden dat ongestoorde handhaving wordt verzekerd. Wanneer dit uiteindelijk niet
mogelijk blijkt, wordt (veelal) overgegaan tot opgraving.
Het gehele studiegebied bestaat uit een gebied met archeologische basiswaarden. Alleen het
gebied tussen Putten en Voorthuizen langs de N303 richting Veluwe bestaat uit een gebied met
hoge archeologische basiswaarden.
Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn
Op Europees niveau zijn richtlijnen uitgevaardigd: de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De
Vogelrichtlijn voorziet in de bescherming van vogelsoorten, de Habitatrichtlijn in de bescherming
van overige waardevolle dier- en plantensoorten. Beide richtlijnen voorzien eveneens in de verplichting
voor de lidstaten van de Europese Unie om speciale beschermingszones aan te wijzen
ten behoeve van het behoud en bescherming van de leefgebieden van de te beschermen
soorten.
Het studiegebied is gesitueerd aan de oostzijde van de Veluwe, welke als speciale beschermingszone
is opgenomen in zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn.
Rijksbeleid
Nota Ruimte (deel 3 PKB (kabinetsstandpunt), april 2004)
In april 2004 is het kabinetsstandpunt over de Nota Ruimte verschenen. Deze nota is gebaseerd
op de beleidsvoornemens van het Tweede Structuurschema Groene Ruimte en de Vijfde
Nota over de Ruimtelijke Ordening. In de nota worden vier algemene doelen geformuleerd: versterking
van de internationale concurrentiepositie van Nederland, bevordering van krachtige
steden en een vitaal platteland, borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke
waarden en borging van de veiligheid. Meer specifiek voor steden en netwerken staan de
volgende beleidsdoelen centraal: ontwikkeling van nationale stedelijke netwerken en stedelijke
centra, versterking van de economische kerngebieden, verbetering van de bereikbaarheid, verbetering
van de leefbaarheid en sociaal-economische positie van steden, bereikbare en toegankelijke
recreatievoorzieningen in en rond de steden, behoud en versterking van de variatie
tussen stad en land, afstemming van verstedelijking en economie met de waterhuishouding en
waarborging van milieukwaliteit en veiligheid. Hiermee komt de nadruk meer dan in de Vijfde
Nota te liggen op economische ontwikkeling. Later dit jaar zal het kabinet de nieuwe Nota Mobiliteit
presenteren, die zich wat betreft ruimtelijke strategie baseert op de Nota Ruimte. Deze
strategie is er overigens op gericht om doorsnijding van infrastructuur waar mogelijk te voorkomen.
SVVV II / NVVP / Nota mobiliteit
Het formeel vigerende rijksbeleid met betrekking tot verkeer, vervoer, infrastructuur en transport
is vastgelegd in het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (SVVV II), waarvan de (finale)
regeringsbeslissing uit 1990 stamt. Een herziening van deze rijksnota vindt momenteel
plaats. In 2001 is het Beleidsvoornemen van het Nationaal Verkeers- en Vervoerplan (NVVP)
uitgebracht. Beide rijksnota's onderschrijven het belang van doorstroming op het hoofdwegenBijlage
3. Beleidskader 2
354.10523.02
net en geven voor de A1 op het betreffende traject een noodzakelijke verbreding aan. Het
NVVP geeft desondanks aan dat ondanks deze verbreding de trajectsnelheid op dit stuk snelweg
in 2010 en in 2020 tijdens de ochtendspits tussen de 60 en 80 km/h zal liggen. Er zal dus
sprake blijven van congestie op dit traject. Een specifieke uitspraak over de omleiding van de
N303 is in deze beleidsnota niet opgenomen. Wel streven beide nota's een waarborging en
verbetering na van de omgevingskwaliteit, verkeersveiligheid en barrièrewerking.
Het NVVP zal in deze vorm niet als rijksbeleid gaan fungeren en worden vervangen door de
Nota Mobiliteit. De Nota Mobiliteit zal op bepaalde onderdelen zijn gebaseerd op en een uitwerking
worden van de Nota Ruimte.
Nota Belvedère / Belvoir
De Rijksnota Belvedère geeft een visie op de wijze waarop met cultuurhistorische kwaliteiten
van het fysieke milieu in de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland kan worden omgegaan.
Volgens het plan Belvoir omschrijft de nota Belvedère tal van maatregelen om de cultuurhistorie
op een volwaardige manier en vanaf de eerste planfase als wegingsfactor bij ruimtelijke
ordeningsplannen te betrekken.
Eén van de belangrijkste instrumenten uit de nota Belvedère is het gebiedsgericht beleid. Het
Rijk heeft gebieden en steden, die in cultuurhistorisch opzicht het belangrijkst zijn, aangewezen
als Belvedèregebieden of -steden. Het Rijk vraagt van de provincie om in deze gebieden een
actief beleid te voeren en deze gebieden zo nodig extra te beschermen.
In het studiegebied liggen twee Belvedèregebieden, te weten: "Nijkerk-Arkemheen" en "Speulde-
Garderen.
Flora- en faunawet
Per 1 april 2002 is de Flora- en faunawet in werking getreden. Deze nieuwe wet vervangt ten
dele de Natuurbeschermingswet (soortsbescherming), de Vogelwet en de Jachtwet. Daarnaast
is de soortbescherming uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in deze wet geïmplementeerd.
Binnen de Flora- en faunawet heeft een groot aantal plant- en diersoorten een beschermde status.
Het betreft onder andere een aantal soorten die naar verwachting binnen de grenzen van
het plangebied aanwezig zullen zijn, maar waarvan mogelijk geen actuele data voorhanden zijn.
Het gehele plangebied kan als potentieel leefgebied dienen voor een aantal van deze soorten.
Besluit luchtkwaliteit (2001)
Op 19 juli 2001 is het Besluit luchtkwaliteit in werking getreden (Stb. 2001, 269). Het Besluit bevat
regels ter implementatie van Richtlijn 199/30 EG van de Raad van de Europese Unie van 22
april 1999, betreffende grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit besluit vervangt in één keer de vier
bestaande regelingen voor luchtkwaliteit (voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden,
wevende deeltjes en lood). De betreffende grenswaarden moeten worden bereikt in 2010. In de
periode tot 2010 wordt de norm gefaseerd aangescherpt. Stikstofdioxide blijft de maatgevende
stof.
Provinciaal/regionaal beleid
Streekplan Gelderland (1996)
Het gebied waarin gezocht wordt naar een tracé voor de omleiding van de N303 is onderdeel
van de Gelderse Vallei. In dit gebied is de verstedelijkingsdruk vanuit de Randstad nadrukkelijk
aanwezig. Bij uitbreiding van de infrastructuur vermeldt het streekplan dat het beleid voor het
landelijk gebied richtinggevend is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen landelijke gebieden A
t/m D, welke allemaal in en nabij het studiegebied voorkomen. Het grootste deel van het studiegebied
valt onder categorie B en C. In categorie B is de natuur de belangrijkste functie. Ontwikkelingen
van andere functies mogen de beoogde natuurdoelstellingen niet frustreren. Bescherming,
herstel en ontwikkeling van de natuur staan hier centraal. In categorie C ligt het accent op
de ontwikkelingsmogelijkheden van de functie landbouw.
Om de gestelde natuurdoelstellingen te realiseren is in een aantal gevallen hydrologische bescherming
noodzakelijk. Op de streekplankaart is voor het studiegebied een zogenoemd "regionale
hydrologisch beïnvloedingsgebied" terug te vinden. Binnen een hydrologisch beïnvloedingsgebied
mogen nieuwe ontwikkelingen en ingrepen niet leiden tot negatieve effecten op de
waterkwantiteit en -kwaliteit. Het beïnvloedingsgebied maakt onderdeel uit van de gewenste
natte verbindingszone (stroomgebied van de Veluwe naar de Randmeerkust via de beken).
Bijlage 3. Beleidskader 3
354.10523.02
De aanwezige landschappelijke en ecologische waarden staan echter onder druk door de aanwezigheid
van (intensieve) veehouderij. Vanwege de noodzaak om de extreem hoge milieubelasting
en de verdroging terug te dringen is een groot deel van het studiegebied benoemd als
strategisch actiegebied.
Het omleiding van de N303 wordt in het streekplan nog niet in zijn geheel mogelijk gemaakt. De
omleiding Putten is in studie, terwijl de omleiding Voorthuizen niet meer mogelijk is. De provincie
heeft het voornemen in 2004 een nieuw streekplan vast te stellen. Beide omleidingswegen
zullen hierin nog niet worden opgenomen.
Reconstructie Gelderse Vallei/Utrecht Oost (Startnotitie m.e.r., richtlijnen)
Vanwege de milieugevoeligheid c.q. milieuproblemen valt het gebied onder de Reconstructiewet.
Met behulp van de reconstructie wordt gestreefd naar een goede ruimtelijke structuur van
landbouw, natuur, landschap en andere functies. Op dit moment zijn voor het gebied Gelderse
Vallei/Utrecht Oost de startnotitie m.e.r. en de richtlijnen m.e.r. afgerond, het MER moet nog
worden opgesteld. Een eventuele omleiding van de N303 dient op deze plannen te worden afgestemd.
Milieuanalyse reconstructiegebied Gelderland en Utrecht-Oost (2002)
In samenwerking met TNO-MEP heeft Alterra een milieuanalyse gemaakt van de huidige situatie
en de situatie in 2015 op basis van de autonome ontwikkeling in de landbouw. Het onderzoek
heeft zich toegespitst op de drie belangrijkste milieuthema's ammoniak, nutriënten en
stank en is bedoeld als bijdrage op de planvorming voor de reconstructiegebieden.
Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (2003)
Het PVVP-2 is in oktober 2003 door Provinciale Staten vastgesteld. In dit beleidsplan is het verkeers-
en vervoersbeleid van de provincie voor de komende 10 jaar vastgelegd. De belangrijkste
opgave van dit provinciaal beleid is het garanderen van de bereikbaarheid en het verbeteren
van de verkeersveiligheid, leefbaarheid en milieu.
Binnen het plangebied worden leefbaarheidsproblemen gesignaleerd als gevolg van sluipverkeer
tussen Nijkerk en Voorthuizen en doorgaand verkeer door Voorthuizen. Een omleiding van
de N303 bij Putten en Voorthuizen wordt gezien als oplossing hiervoor. Een eventuele doortrekking
van N303 bij Putten naar de A28 moet nader worden onderzocht.
Gebiedsplan Natuur en Landschap Gelderse Vallei (2002)
Volgens het streekplan is het bereiken van een duurzame ontwikkeling op basis van een sterke,
robuuste ecologische structuur één van de hoofddoelen van het provinciaal omgevingsbeleid.
Binnen de als landelijke gebieden A en B aangeduide gebieden, waar natuur de belangrijkste
functie voor de ruimte vormt met tussenliggende verbindingen, wordt inhoud gegeven aan deze
rijksecologische hoofdstructuur (EHS). De provincie zet zich in voor de concrete realisering van
de EHS binnen deze gebiedscategorieën. Hierbij wordt versterking van de interne samenhang
van bestaande natuurgebieden nagestreefd.
Gebiedsplan Gelderse Vallei
Ter versterking van de samenhang tussen de afzonderlijke natuur- en bosgebieden, het Centraal
Veluws Natuurgebied (CVN) en de Utrechtse Heuvelrug", worden droge en natte verbindingszones
ontwikkeld. De stroomgebieden van de beken vormen hierbij een belangrijk aanknopingspunt
voor vernieuwing en versterking van de ecologische samenhang. Binnen een
dergelijk beinvloedingsgebied mogen als gevolg van ingrepen en ontwikkelingen geen negatieve
effecten op natuur in landelijk gebied B optreden.
In het studiegebied vormt een stroomgebied via beken een onderdeel van een natte verbindingszone.
Dit oppervlaktewater stroomt van hoog (Veluwe) naar laag (Randmeerkust).
De das, amfibieën en de ringslang zijn diersoorten welke het studiegebied als (onderdeel van
het) leefgebied hebben. Het ontbreken van (potentiële) verbindingen met leefgebieden elders,
onder andere door barrièrevorming door wegen, heeft de behoefte doen ontstaan de situatie te
verbeteren door ecologische verbindingen te realiseren. Hierbij gaat het om een droge verbindingszone
die de Veluwe verbindt met de Utrechtse Heuvelrug.
Bijlage 3. Beleidskader 4
354.10523.02
LNV heeft opdracht gegeven aan de provincie Utrecht en Gelderland op dit moment een "quickscan"
uit te voeren naar de realisering van een robuuste verbindingszone (onder a